Deel 1.2

In deel 1.1 hebben we beschreven hoe, als gevolg van de Industriële Revolutie, de macht in de Verenigde Staten van de negentiende eeuw steeds meer verschoof in de richting van grote corporaties. Deze corporaties – of in werkelijkheid, de personen achter deze corporaties – begonnen in deze periode met het uitbreiden van hun invloed naar meer en meer aspecten van de maatschappij en het dagelijks leven. De gevolgen van hun acties zijn vandaag de dag nog altijd van grote invloed.

Foundations en strategische filantropie
E. Richard Brown zegt in zijn boek Rockefeller, Medicine Men dat de eigenlijke winnaar van de Amerikaanse Burgerloog de personen achter de nieuwe grote corporaties waren (Brown 63). Met name mannen zoals John Davison Rockefeller, besproken in deel 1.1, en Andrew Carnegie, die zijn fortuin vergaarde met de productie van staal, wonnen richting het einde van de negentiende eeuw aanzienlijk aan invloed. De groeiende ontevredenheid die onder de Amerikaanse bevolking ontstond als gevolg van de industrialisatie van de samenleving werkte geenszins in hun voordeel. De nieuwe ondernemers probeerden zo snel mogelijk een zo groot mogelijk deel van de beschikbare markt te veroveren. Om de prijzen van hun producten laag te houden, betaalden zij lage arbeidslonen en investeerden zij niet in redelijke arbeidsomstandigheden. Grote aantallen immigranten werden deel van de beroepsbevolking. Ambachtslieden zagen het nut van hun werk afnemen naarmate zij steeds meer vervangen werden door machines en fabrieken. Steeds vaker waren vrouwen en kinderen gedwongen te werken in fabrieken en winkels, en arbeiders werden door het hele land onderbetaald en uitgebuit. In 1897 bedroeg het arbeidsloon voor een werkdag van tien uur $1.50. Het contrast tussen de Zuidelijke staten, waar landbouw nog altijd de belangrijkste bron van inkomsten vormde, en de Noordelijke staten, waar de industrialisatie geconcentreerd was, werd steeds groter.

Al deze zaken leidden tot grote onrust onder de bevolking. Arbeiders begonnen zich te verenigen in vakbonden en rellen en stakingen kwamen steeds vaker voor. De Populist Party, de toenmalige Amerikaanse Volkspartij, won steeds meer aan invloed door zich te verzetten tegen de invloed van het explosief groeiende kapitalisme. In 1896 vormde deze partij een kortstondige coalitie met de Democratische Partij door de Democratische presidentskandidaat Jennings Bryan te steunen tegenover de Republikein William McKinley, de favoriet van de grote corporaties. Nadat Bryan de verkiezing verloor, viel de Populist Party uit elkaar, maar het verzet tegen het groeiende kapitalisme hield tot ver na de eeuwwisseling aan (Brown 66). Dit was uiteraard een doorn in het oog van de nieuwe kapitalisten, die als reactie op dit verzet besloten te zoeken naar manieren waarop zij niet alleen de publieke opinie, maar ook de overheid konden beïnvloeden. Volgens zakenman en Republikeins politicus Mark Hanna (1837 – 1904) konden de President en de uitvoerende tak van de overheid gemakkelijk worden beïnvloed “om onze zakelijke belangen te beschermen.” De verkiezing van William McKinley (overigens een persoonlijke vriend van Mark Hanna, die ook zijn verkiezingscampagnes had geleid) was hun eerste overwinning met betrekking tot dit doel. Na de eeuwwisseling vergrootten de nieuwe kapitalisten hun invloed in de samenleving voornamelijk door middel van wat E. Richard Brown strategische filantropie noemt: in simpele bewoordingen, het doneren van geld aan hen die bereid zijn te handelen zoals jij wilt. Hiervoor werden rond de eeuwwisseling diverse Foundations (stichtingen) in het leven geroepen. De bekendste hiervan zijn de Rockefeller, Carnegie en Ford Foundations (Van der Horst 58). De invloed die deze Foundations vrijwel meteen wisten te vergaren, mag niet worden onderschat. In een rapport van de Commission of Industrial Relations, een commissie die door President William Howard Taft in het leven was geroepen om de invloed van de Foundations te onderzoeken, is bijvoorbeeld terug te vinden dat de Carnegie en Rockefeller Foundations op het gebied van onderwijs financieel 40 keer meer in te brengen hadden dan de federale overheid (https://archive.org/details/industrialrelati01unitrich). Door de onafhankelijke en ongecontroleerde financiële macht van deze Foundations (zij zijn bijvoorbeeld vrijgesteld van belastingen) zijn zij vaak in staat om een doorslaggevende invloed uit te oefenen op publieke zaken. Bovendien eisen de meeste grote Foundations in ruil voor hun donaties dat zij inspraak krijgen de ontvangende organisaties. In de praktijk wordt vaak alles, van het budget tot het personeel, bepaald door de Foundations (Wormser 60). Door middel van strategische filantropie wisten deze zij aan het begin van de twintigste eeuw ook de medische gemeenschap vrijwel volledig naar hun hand te zetten. Een belangrijk keerpunt in dit proces was het Flexner rapport van 1910.

Het Flexner rapport 
Zoals vermeld in deel 1.1 was de geneeskunde in de negentiende eeuw niet, zoals vandaag de dag, overwegend allopathisch (farmaceutisch) van aard. Geneeskundige stromingen die tegenwoordig onder de alternatieve geneeskunde worden geschaard, zoals homeopathie en kruidengeneeskunde, genoten toen nog genoeg aanzien om een doorn in het oog te zijn van de branchevereniging voor allopathische artsen, de American Medical Association (AMA). Om het aanzien en de invloed van de allopathische arts te vergroten, besloot de AMA dat de toelatingseisen en de standaard van medische onderwijsinstellingen verhoogd dienden te worden, en wel op zo’n manier dat andere vormen van geneeskunde als inferieur zouden worden gezien (Van der Horst 49). Homeopaten dienden geweerd te worden, en door het verhogen van de toelatingseisen van medische opleidingen diende de instroom van nieuwe artsen (en dus de concurrentie) beperkt te worden (https://www.lewrockwell.com/1970/01/lew-rockwell/medical-control-medical-corruption/). Zoals benoemd in deel 1.1 paste dit doel perfect bij de belangen van John Davison Rockefeller, die in de farmaceutische industrie een perfecte afzetmarkt zag voor de olie die hij produceerde. In 1902 riep hij met een donatie van een miljoen USD de General Education Board (GEB) in het leven; de voorloper van de Rockefeller Foundation. De GEB was een filantropische non-governmental organization (NGO) die grote invloed uitoefende op het medisch onderwijs in de Verenigde Staten. In een brief aan John Davison Rockefeller van 23 januari 1907 schrijft diens rechterhand, Frederick Taylor Gates, dat de GEB “alle macht geeft die we wensen.” (https://rockfound.rockarch.org/documents/20181/35639/Letter+from+Frederick+T.+Gates+to+John+D.+Rockefeller%2C+Jr.%2C+1907+January+23.pdf/e7f4d67e-f75e-418d-b6a5-e7aea212608b)

In 1908 sloot de American Medical Association (AMA) een overeenkomst met Henry S. Pritchett, de voorzitter van de Carnegie Foundation. De Carnegie Foundation had kort daarvoor preliminaire vereisten opgesteld waaraan medische opleidingen zouden moeten voldoen, en de AMA wenste een studie en bijbehorend rapport om deze vereisten te onderbouwen. Voor het uitvoeren van deze studie deed Pritchett een beroep op Abraham Flexner, een docent die aanvankelijk dacht dat Pritchett hem had verward met zijn broer Simon, een arts die bij Rockefeller op de loonlijst stond (Brown 358). Flexner zou alle medische onderwijsinstituten (167 in totaal) bezoeken en evalueren, en uiteindelijk concluderen welke van hen voldeden aan de nieuwe standaarden van het AMA. Uit de notulen van de Council on Medical Education (CME), een onderdeel van de AMA, van 28 december 1908 blijkt dat zij de Carnegie Foundation verzocht hadden om de invloed van de Council en hun voorbereidende onderzoek niet in het rapport te vermelden. Dit was zogezegd om te voorkomen dat het rapport van partijdigheid beticht kon worden (Van der Horst 53).

In 1910 publiceerde Flexner het resultaat van zijn onderzoek, het rapport Medical Education in the United States and Canada. Omdat de invloed van de AMA verborgen werd gehouden, en het er dus alle schijn van had dat dit rapport van een onafhankelijk instituut afkomstig was, had het Flexnerrapport precies het gewenste effect. Waar voor de publicatie van het rapport minstens evenveel artsen in de homeopathie en andere geneeskundige stromingen praktiseerden als in de allopathische (farmaceutische) geneeskunde, was dit na het rapport geenszins meer het geval. Op advies van Flexner werd de medische opleiding van de John Hopkins universiteit tot algemene maatstaf gemaakt. Privéscholen die niet afhankelijk waren van externe donaties – zoals die van de Foundations – dienden op te houden te bestaan, zodat het curriculum van elke bestaande medische opleiding onderhevig was aan de invloed van haar donateurs. De lengte van een medische opleiding moest vier jaar zijn en het curriculum moest voldoen aan de standaarden die de AMA in 1905 had opgesteld. Scholen werden door de State Medical Boards (de medische raad die in elke Staat licenties aan artsen verstrekt) gedwongen om aan de eisen van het Flexnerrapport te voldoen. Bij weigering verloren zij hun accreditatie en werden zij gedwongen hun deuren te sluiten. In 1924 was het aantal medische opleidingen in de Verenigde Staten, volledig naar wens van de AMA, met 50% gedaald (Van der Horst 55-56).

Het leek destijds alsof er geen connectie bestond tussen het Flexnerrapport en Rockefeller. Echter werd Flexner tijdens zijn onderzoek ruimschoots beïnvloed door het advies zijn broer Simon en dr. William Welch van de John Hopkins universiteit, die allebei bij Rockefeller op de loonlijst stonden. Welch was eveneens de eerste president van de Board of Directors van het Rockefeller Institute for Medical Research. Bovendien werd Flexner in 1912 werkzaam bij Rockefellers General Education Board, die tussen 1913 en 1929 94 miljoen USD verdeelde onder 25 medische opleidingen (Van der Horst 54).

De GEB en andere Foundations doneerden vanzelfsprekend alleen aan medische opleidingen die voldeden aan de voorwaarden van het Flexnerrapport. De donaties waren bestemd voor onderzoek en klinische studies, die uiteraard vrijwel allemaal farmaceutisch van aard waren. Andere geneeskundige stromingen kregen immers geen geld voor wetenschappelijk onderzoek, en werden daardoor steeds meer weggezet als “onwetenschappelijk.” (Van der Horst 56) Dit is de essentie van het eerder genoemde begrip strategische filantropie: het door middel van donaties beïnvloeden van de wetenschap, de politiek en de publieke opinie.

De Carnegie en Rockefellers Foundations zorgden er in de decennia na de publicatie van het Flexnerrapport door middel van lobbywerk en strategische donaties voor dat Flexners bevindingen niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in Europa de standaarden voor medische opleidingen bepaalden. De World Health Organization adopteerde het rapport in 1997 wereldwijd (Van der Horst 62-63). Voor de duidelijkheid: de resultaten van een door het bedrijfsleven gefinancierd en uitgevoerd onderzoek bepalen tot op de dag van vandaag de standaarden en het curriculum van medische onderwijsinstellingen over de hele wereld.         

Bronnen
Brown, E. Richard. Rockefeller Medicine Men: Medicine and Capitalism in America. The Regents of the University of California, 1979.

Van der Horst, C.F. Dodelijke Leugens: Artsen en Patiënten Misleid. Per Viratum Vis, 2013.

Wormser, René A. Foundations: Their Power and Influence. The Devin Adair Company, 1958.