Mark Rutte is sinds gisteren de langstzittende premier van Nederland. Vandaag vervult hij het ambt precies 4312 dagen; ongeveer elf jaar en negen maanden. Daarmee streeft hij Ruud Lubbers, die van 1982 tot 1994 premier was, voorbij.

Sinds het begin van zijn carrière in de landelijke politiek was Rutte een populair man. Toen hij in 2002 aantrad als staatssecretaris van Sociale Zaken onder Balkenende I, bleek hij zich meteen thuis te voelen. Ook het staatssecretarisschap van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dat hij in 2003 overnam van Annette Nijs, ging hem goed af. In korte tijd maakte Rutte zich zeer populair in de landelijke politiek, en in 2006 won hij het lijsttrekkerschap van de VVD van voormalig minister voor Vreemdelingenbeleid Rita Verdonk. Sinds 2010 werd de VVD onder zijn leiderschap telkens de grootste partij. Het lijkt erop dat een groot deel van Nederland zich laat afleiden door Ruttes joviale glimlach, of misschien ligt het aan het veelgeprezen feit dat hij op de fiets naar zijn werk gaat. Het is in ieder geval voldoende om talloze kiezers te verblinden voor het feit dat de langstzittende premier van Nederland een diep corrupt man is, onder wiens leiding de kwaliteit van leven in ons “gave” land sinds 2010 gestaag afneemt.

Verkiezing bezoedeld met suggesties van fraude
De verkiezing voor het lijsttrekkerschap van de VVD, die in de media veelvuldig werd omschreven als een zeer grimmige strijd, was achteraf gezien een passende aftrap voor Ruttes carrière als minister-president. Het partijbestuur van de VVD steunde zijn kandidatuur. Minister voor Vreemdelingenbeleid Rita Verdonk stelde zich na een periode van twijfel alsnog kandidaat, maar leek vanaf het begin al weinig vertrouwen te hebben in een eerlijke gang van zaken. Haar campagneteam deed zelfs een oproep om een onafhankelijke waarnemer toezicht te laten houden bij de verkiezing, een voorstel dat binnen de VVD tot onbegrip leidde. Het team van Verdonk gaf destijds aan dat zij aanwijzingen hadden dat de partij “niet alles op orde zou hebben.”

Rita Verdonk & Mark Rutte

De stemprocedure zou fraudegevoelig zijn. Rutte zei zelf geen aanleiding te zien voor een waarnemer, maar ook geen bezwaren te hebben. Toenmalig D66-minister Alexander Pechtold stelde dat Verdonk een “ingebakken wantrouwen” koesterde jegens haar eigen partij. Enkele dagen voor het einde van de verkiezing maakte Verdonk bekend dat dat wantrouwen wellicht niet ongegrond was: haar campagneteam had een klacht ingediend bij de aangewezen waarnemer omdat het team van Rutte in strijd met het verkiezingsreglement de ledenbestanden van verschillende afdelingen zou hebben opgevraagd. Ruttes campagneteam ontkende de beschuldiging, ondanks duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel. Uiteindelijk won Rutte de verkiezing met 51 procent van de stemmen. Verdonk behaalde 46 procent.

De belangen van de gemiddelde burger zullen pas weer adequaat vertegenwoordigd worden wanneer het politieke systeem volledig en rigoureus hervormd wordt en er voor types zoals Mark Rutte definitief geen plaats meer is.

Of er daadwerkelijk sprake was van fraude, is achteraf nog onmogelijk vast te stellen. Wat wel zeker is, is dat Verdonk bij de Tweede Kamerverkiezingen van datzelfde jaar aanzienlijk meer voorkeursstemmen haalde dan Rutte. Dat een lager geplaatste kandidaat een lijsttrekker voorbijstreefde, was een unicum. Verdonk stelde dat de betekenis van dit hoge aantal voorkeursstemmen onderzocht diende te worden, maar tijdens een daarop volgende fractievergadering werd besloten dat het leiderschap van Rutte buiten discussie stond. De verkiezing van de lijsttrekker en de campagnes voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2006 zouden door een VVD-commissie worden geëvalueerd. Over de betekenisloosheid van dergelijke evaluaties hoeven wij hier niet uit te wijden, maar het zegt genoeg dat over de conclusies van dit onderzoek niets noemenswaardigs te vinden is.

In 2007 zette Rutte Verdonk naar aanleiding van een VVD-kritische toespraak die zij in besloten kring had gehouden uit de fractie.

Een decennium vol leugens
Op 14 oktober 2010 trad kabinet Rutte I aan, en het zal niemand ontgaan zijn dat het leiderschap van Rutte sindsdien talloze keren in twijfel is getrokken. Rutte I verloor de gedoogsteun van de PVV al in april 2012 nadat onderhandelingen in het Catshuis naar aanleiding van negatieve cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) waren mislukt. Twee jaar waren echter ruim voldoende voor Rutte om uitgebreid te liegen over de steun van Nederland aan het destijds noodlijdende Griekenland, hoewel hij dit zelf karakteriseerde als onhandige communicatie. Hoewel het verkiezingsprogramma van de VVD uit 2010 stelde dat de Nederlandse bijdrage per inwoner aan de EU niet opnieuw mocht stijgen, stelde Rutte I alles in het werk om ervoor te zorgen dat dit wel degelijk gebeurde. Na de val van Rutte I beweerde de premier stellig dat hij niet zou instemmen met een nieuwe geldstroom richting Griekenland, maar ook Rutte II bleek deze belofte niet waar te maken toen de rente voor Griekenland op eerder afgesloten leningen werd verlaagd. In 2015 werd voor de derde keer ingestemd met een steunpakket voor de Grieken, waarmee Rutte II zichzelf, op zijn minst met betrekking tot deze kwestie, compleet ongeloofwaardig maakte.

Kabinet Rutte III stond, in ieder geval tot aan het begin van de coronacrisis, vooral bekend om het debacle omtrent de veelbesproken kwestie dividendbelasting. Ter herinnering: dividendbelasting is een belasting van 15% die bedrijven dienen te betalen wanneer zij winst (dividend) uitkeren aan hun aandeelhouders. De gemiddelde Nederlandse burger zal er zelden tot nooit direct mee te maken krijgen; het zijn vooral zogenoemde multinationals die deze belasting betalen. De dividendbelasting was in 2006 met de wet Werken aan Winst al verlaagd van 25 naar 15%.

In oktober 2017, vlak nadat het nieuwe kabinet was geïnstalleerd, opperde Rutte echter om deze belasting volledig af te schaffen, naar eigen zeggen “om Nederland aantrekkelijk te houden als vestigingsland.” Echter, vanuit de oppositie kwam vrijwel direct na het verschijnen van het regeerakkoord de vraag waarom het afschaffen van de dividendbelasting in geen enkel verkiezingsprogramma te vinden was. Ook was er geen notitie over te vinden in het formatiedossier; het woord dividendbelasting kwam alleen voor in een lobbybrief van werkgeversorganisatie VNO-NCW, van wie bekend is dat zij al jaren pleit voor het afschaffen ervan. De leiders van de coalitie hielden vol dat er geen notities of memo’s bestonden, en dat alle communicatie aangaande dit onderwerp mondeling was verlopen. Op 15 november 2017 verklaarde Rutte tijdens een debat over het onderwerp dat hij geen herinnering had aan memo’s aangaande de afschaffing van de dividendbelasting. Echter, nadat twee onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam in maart 2018 een beroep deden op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), bleken deze memo’s wel degelijk te bestaan. Rutte kwam weliswaar onder vuur te liggen, maar overleefde de resulterende politieke ophef uiteindelijk zonder noemenswaardige gevolgen.

De staat waarin Nederland op dit moment verkeert zou genoeg moeten zeggen over het leiderschap van een man die al sinds het begin van zijn politieke carrière wordt omgeven door leugens en suggesties van corruptie en fraude

Dit zijn geenszins de enige leugens en gebroken beloftes waaraan Rutte zich tussen sinds 2010 schuldig heeft gemaakt. Wij wijzen de lezer eveneens op de uitslag van het referendum over een associatieverdrag met Oekraïne, die hij in 2016 aan zijn laars lapte omdat het niet doorzetten van het verdrag volgens hem “een enorm cadeau voor Moskou” zou zijn. Geopolitieke belangen lijken bij Rutte vrijwel altijd boven het belang van de gemiddelde burger te gaan. Dat hij op zeker moment iedere werkende Nederlander duizend euro had beloofd, leek hij eveneens irrelevant te vinden.

Over de gebeurtenis die uiteindelijk de val van Rutte III veroorzaakte, de veelbesproken toeslagenaffaire, is inmiddels zoveel geschreven dat wij op dit moment niet de behoefte voelen om dit uitgebreid te herhalen. Wel is het relevant om te benadrukken dat Rutte al in 2019 op de hoogte was van het feit dat er grote problemen waren bij de kinderopvangtoeslag, hoewel hij het zelf belangrijker leek te vinden om Kamerleden die hier lastige vragen over stelden weg te werken en daar vervolgens wederom over te liegen.

Bedrijfsleven en supranationale organisaties
Het gedrag van Mark Rutte als premier lijkt voor de onoplettende burger wellicht slechts onhandig, maar is in feite uitstekend te verklaren door het feit dat multinationale bedrijven en supranationale organisaties een veel grotere invloed op onze landelijke politiek uitoefenen dan de meeste mensen zich realiseren. Wie de artikelen van DZN al langer leest, zal zich wellicht herinneren dat wij de lezer eerder hebben geattendeerd op het bestaan van een lobbyorganisatie genaamd ABDUP. Deze organisatie bestaat uit vijf grote Nederlandse multinationals, namelijk AzkoNobel, Philips, DSM, Unilever (de voormalige werkgever van premier Rutte) en Shell. Informatie over het gezelschap is schaars en lastig te vinden, maar als gevolg van een Wob-verzoek bij drie ministeries door Jasper van Teeffelen, een onderzoeker van Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen(SOMO), is sinds begin 2019 het een en ander bekend geworden. ABDUP vergadert regelmatig in Hotel Des Indes in Den Haag, en bij deze halfjaarlijkse bijeenkomsten zijn regelmatig leden van het kabinet aanwezig. Zo was op 15 oktober 2007 staatssecretaris van Financiën Jan-Kees de Jager aanwezig. Een van de onderwerpen die besproken werd was de dividendbelasting. De recente verlaging daarvan naar 15% was blijkbaar onvoldoende voor AzkoNobel, Unilever, Shell en Philips, die ‘graag een afschaffing van de dividendbelasting geëffectueerd zagen per juli 2008.’ Zij voegden ‘anti-misbruikmaatregelen’ aan het totaalpakket toe om belastingontduiking te voorkomen, en opperden dat deze maatregelen als argument gebruikt konden worden om het totaalpakket door middel van een spoedprocedure doorgang te laten vinden. Uiteindelijk werd de eerste poging om dit totaalpakket door te voeren pas in 2017 door Rutte gedaan.

Het lijkt erop dat een groot deel van Nederland zich laat afleiden door Ruttes joviale glimlach, of misschien ligt het aan het veelgeprezen feit dat hij op de fiets naar zijn werk gaat. Het is in ieder geval voldoende om talloze kiezers te verblinden voor het feit dat de langstzittende premier van Nederland een diep corrupt man is, onder wiens leiding de kwaliteit van leven in ons “gave” land sinds 2010 gestaag afneemt.

De betrokkenheid van ABDUP bij de kwestie dividendbelasting gaat echter nog verder. Uit het partijstuk van Rutte bleek dat met name een onderzoek uit 2009 door de Rotterdam School of Management(RSM), onderdeel van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), belangrijk was ter onderbouwing van het kabinetsbesluit. Dit door ‘onafhankelijke’ wetenschappers uitgevoerde onderzoek concludeerde dat de dividendbelasting een gezond vestigingsklimaat in Nederland in de weg stond, en voorzag op deze manier het jaren oude standpunt van de bedrijfslobby van wetenschappelijke onderbouwing. Officieel stond op het rapport vermeld dat het onderzoek was uitgevoerd in opdracht van werkgeversorganisatie VNO-NCW. Het bleek echter dat ook Shell, Unilever, AzkoNobel, DSM en Philips opdrachtgevers waren; de leden van lobbyorganisatie ABDUP. Hoewel Shell in 2017 ontkende een van de opdrachtgevers achter het onderzoek te zijn, kwamen tijdens een onderzoek door de denktank Changerism bonnetjes boven tafel waaruit bleek dat Shell ruim 300,000 euro aan de EUR overmaakte voor het onderzoek.

De ontstaansgeschiedenis van ABDUP is slechts deels terug te vinden, maar het is wel bekend dat deze organisatie in het leven is geroepen na de Tweede Wereldoorlog. De deelnemende bedrijven hadden in deze tijd allemaal dochterbedrijven in Duitsland, waarover zij de controle terug wilden krijgen en die zij wilden beschermen tegen Duitse kapitaalheffing en de anti-grootbedrijfspolitiek van de geallieerden. Historicus Martijn Lak vindt het opvallend dat ABDUP al sinds haar ontstaan nauwe banden onderhoudt met de overheid; zo werd de gevluchte Nederlandse regering tijdens de oorlog in Londen opgevangen in kantoren van Unilever en Shell. Deze nauwe banden tussen de overheid en ABDUP zijn duidelijk geenszins verbroken; het is tot op de dag van vandaag een gewoonte binnen deze organisatie om elkaar te tutoyeren en voornamen te gebruiken. Ook onze minister-president heeft blijkbaar een goede verstandhouding met de lobbyorganisatie waarvan zijn oude werkgever deel is; zie onderstaande brief van Unilever-directeur Paul Polman, waarin hij Rutte formeel uitnodigt voor een ABDUP-bijeenkomst:

Wiero Beek, een ex-topmanager van Unilever, sloeg in 1993 alarm omdat Unilever, samen met andere ABDUP (toen nog ABUP) partijen, zich volgens hem schuldig maakte aan het massaal laten afvloeien van personeel via de Wet arbeidsongeschiktheid (Wao). Hij stelde dat dit misbruik was gepleegd in samenspraak met FNV-voorzitter Wim Kok, en dat ABUP in feite een soort schaduwregering vormde waarin nooit notulen worden opgesteld. Zowel de betrokken bedrijven als regeringsleiders zijn al decennialang vaag over het bestaan en de functie van de organisatie. Op verzoeken om meer informatie wordt kort en terughoudend gereageerd. ABDUP is overigens geenszins de enige lobbyorganisatie die buiten het zicht van de burger om invloed uitoefent op de politiek. Politicoloog Eelke Heemskerk noemt deze organisaties informele diner- en debatclubs waar de bedrijfselite bijeenkomt. Hij en anderen noemen er een aantal, waarvan de belangrijkste de Tafelronde en de Pijp zijn.

Dergelijke constructies zijn exemplarisch voor alles dat er mis is met ons huidige politieke systeem. Politici op hoge posities hebben veelvuldig een geschiedenis in en/of banden met het multinationale bedrijfsleven, en de lobbyactiviteiten van dergelijke multinationals zijn lang niet altijd publieke kennis. Bovendien heeft een groot aantal Nederlandse politici juridisch bindende overeenkomsten met het veelbesproken World Economic Forum (WEF). Hoewel eenieder die suggereert dat deze organisatie mogelijk meer zou kunnen zijn dan slechts een zogenoemde denktank onmiddellijk wordt weggezet als een “complotdenker”, is er nog altijd geen afdoende verklaring voor het feit dat ook Rutte met regelmaat bij WEF-bijeenkomsten aanwezig is en enthousiast genoeg lijkt te zijn over de ideeën van directeur Klaus Schwab om zijn boeken te lezen en hem er uitgebreid voor te bedanken.

Geopolitieke belangen lijken bij Rutte vrijwel altijd boven het belang van de gemiddelde burger te gaan. Dat hij op zeker moment iedere werkende Nederlander duizend euro had beloofd, leek hij eveneens irrelevant te vinden

Nederland na twaalf jaar Rutte
De staat waarin Nederland op dit moment verkeert zou genoeg moeten zeggen over het leiderschap van een man die al sinds het begin van zijn politieke carrière wordt omgeven door leugens en suggesties van corruptie en fraude. De ongekende inflatie als gevolg van het rampzalige coronabeleid en de direct daaropvolgende onvoorwaardelijke steun voor Oekraïne in haar conflict met Rusland zeggen genoeg over de prioriteiten van onze premier en zijn partij. Terwijl Rutte moraliserende toespraken houdt over hoe Oekraïne “ook onze oorlog” is, kan een groeiend deel van de Nederlandse bevolking haar rekeningen voor gas en stroom niet meer betalen en kloppen inmiddels zelfs mensen met een modaal inkomen steeds vaker aan bij de voedselbank. Ook is de polarisatie die Rutte als “coronapremier” met veel enthousiasme heeft aangejaagd naadloos overgegaan in een soortgelijke polarisatie betreffende het conflict in Oekraïne en de kwestie rondom de dreigende onteigening van Nederlandse boeren en de resulterende protesten.

Dat Rutte nog altijd de steun geniet van een aanzienlijk deel van Nederland is volgens DZN Media een onverklaarbaar gegeven. Zijn politieke loopbaan en zijn acties als premier zijn exemplarisch voor de corruptie en het morele bankroet die onlosmakelijk verweven zijn geraakt met ons politieke systeem. De gebeurtenissen van de afgelopen jaren wekken sterk de indruk dat het in feite de NAVO, de EU, het WEF en het multinationale bedrijfsleven zijn die het in de meeste Westerse landen – weliswaar indirect – werkelijk voor het zeggen hebben. De belangen van de gemiddelde burger zullen pas weer adequaat vertegenwoordigd worden wanneer het politieke systeem volledig en rigoureus hervormd wordt en er voor types zoals Mark Rutte definitief geen plaats meer is.

Delen op sociale media