‘Staatsontvoeringen’ aan de orde van de dag.

Kinderrechters in Nederland hebben bij uithuisplaatsingen van kinderen onvoldoende mogelijkheden om adequaat te beoordelen of de uithuisplaatsing werkelijk noodzakelijk is. Ook is het voor rechters niet mogelijk om voldoende te volgen welke stappen er worden genomen om te zorgen dat het kind terug kan naar de ouders. Bovendien is het, ondanks het feit dat jeugdbeschermingsinstellingen en rechters dit altijd stellig hebben ontkend, wel degelijk mogelijk dat kinderen van door de toeslagenaffaire gedupeerde ouders als gevolg van de resulterende financiële problemen uit huis zijn geplaatst. De wet maakt onvoldoende duidelijk dat uithuisplaatsing van een kind alleen geoorloofd is wanneer ouders de opvoeding verkeerd invullen. Dat meldt de NOS vandaag naar aanleiding van een artikel in Trouw van laat zondagavond.

Wetenschappers van de Universiteit Leiden publiceerden afgelopen vrijdag een factsheet over uithuisplaatsingen met daarin knelpunten vanuit een gedragswetenschappelijk en juridisch perspectief. Zij stellen dat het gebrek aan rechtsbescherming het belangrijkste probleem is wanneer burgers te maken krijgen met uithuisplaatsingen. Ook blijkt uit gedragswetenschappelijk onderzoek dat uithuisplaatsingen vaak niet het gewenste effect hebben en niet leiden tot verbeteringen in de ontwikkeling van het kind. De factsheet werd opgesteld in opdracht van de Tweede Kamer en Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Gebrekkige rechtspositie
In de factsheet van de Universiteit Leiden wordt benadrukt dat uithuisplaatsingen uitsluitend bedoeld zijn als een laatste redmiddel. Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek stelt dat “plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin uitsluitend geschiedt met een machtiging tot uithuisplaatsing” (1:265a BW) en dat een dergelijke machtiging alleen mag worden afgegeven “indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid” (1:265b BW). In dat geval kan de kinderrechter een gecertificeerde instelling, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, machtigen de minderjarige uit huis te plaatsen.

Op de formulering van dit wetsartikel is echter in de wetenschappelijke literatuur kritiek geleverd. Bij een verzoek tot uithuisplaatsing is het bijvoorbeeld geen vereiste om te vermelden met welk doel de uithuisplaatsing wordt aangevraagd. Hierdoor kunnen kinderrechters lastig beoordelen of aan het noodzakelijkheidscriterium wordt voldaan. Ook wordt onvoldoende duidelijk dat de reden voor een uithuisplaatsing altijd moet liggen in de wijze waarop de ouders de opvoeding invullen, en nooit gebaseerd mag zijn op andere problemen, zoals financiële problemen of een fysieke handicap van de ouders. De schrijvers van de factsheet benoemen in deze context ook het belang van artikel 8 van de Europese Verklaring van de Rechten van de Mens (EVRM) en het subsidiariteitsbeginsel (zijn er minder zware middelen beschikbaar om hetzelfde doel te bereiken?). Indien niet voldaan wordt aan het subsidiariteitsbeginsel, kunnen uithuisplaatsingen in strijd zijn met het recht op respect voor het familie- en gezinsleven en het verbod op inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht. Het subsidiariteitsvereiste is in 2015 echter in de rechtsgrond zo aangepast dat het beperkt wordt tot de vraag of ouders bereid zijn de hulpverlening te accepteren. De vrees van de onderzoekers is dat “het recht van ouders op een oordeel over de vraag of minder vergaande maatregelen beschikbaar en haalbaar zijn, zo wordt beperkt tot een plicht voor ouders om mee te werken aan hulpverlening”.

Ook over de rol van de kinderrechter worden in de factsheet zorgen geuit. Er bestaat twijfel over de juistheid van rapportages aan de kinderrechter. De schrijvers verwijzen naar het artikel Waarheidsvinding in de jeugdbescherming door Joost Huijer, waarin gesteld wordt dat het streven naar waarheidsvinding lange tijd slechts een marginale rol speelde in het jeugdbeschermingsrecht, en dat de overheid, ondanks het feit dat het jeugdbeschermingsrecht civielrechtelijk van aard is, op dit gebied fors kan ingrijpen in het leven van burgers. Huijer schrijft dat een plicht tot waarheidsvinding inmiddels weliswaar verankerd is in de Jeugdwet, maar dat er meer nodig is om waarheidsvinding in de hele keten te internaliseren. Volgens hem dient begonnen te worden met “eenduidige rapportages waarin een onderscheid wordt aangebracht tussen feiten, visies en interpretaties”. Uit een ander onderzoek blijkt bovendien dat de Raad voor de Kinderbescherming in ruim 40% van de zaken niet motiveert waarom minder vergaande maatregelen dan uithuisplaatsing niet overwogen kunnen worden en dat veel verzoeken tot uithuisplaatsing gebaseerd zijn op een standaardmotivering. Daarnaast is in de juridisch-wetenschappelijke literatuur herhaaldelijk kritiek getuit op de beperkte mogelijkheden die een kinderrechter heeft om invloed uit te oefenen op de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen. Kinderrechters hebben weliswaar het recht om verzoeken te toetsen aan kinder- en mensenrechten, maar volgens de factsheet is daar in de praktijk veel onduidelijkheid over.

Een ander probleem is dat er sinds de inwerkingtreding van de Jeugdwet in 2015 een “tussengebied” is ontstaan tussen vrijwillige en gedwongen jeugdhulp. Dit wordt ook wel “drangkader” genoemd, maar de schrijvers van de factsheet benadrukken dat dit niet in de wet is geregeld. In het geval dat vrijwillige hulp onvoldoende blijkt voor een gezin, maar er (nog) niet bij een kinderrechter om een kinderbeschermingsmaatregel met gedwongen kader is verzocht, ontstaat er in de praktijk een situatie waarin geprobeerd wordt om ouders extra hulpmaatregelen en voorwaarden te doen accepteren. Dit om te voorkomen dat er een rechter aan te pas hoeft te komen. Het blijkt dat dit drangtraject (te) veel wordt toepast, maar omdat iedere gemeente hier zelf invulling aan kan geven, is er geen sprake van een duidelijk landelijk beeld. Een drangtraject kan echter wel ernstige inbreuk maken op de fundamentele rechten van ouders en kinderen. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een kind via een dergelijk drangtraject uit huis wordt geplaatst. Dit zou niet mogelijk moeten zijn, omdat dit een inbreuk is op een fundamenteel recht van kinderen en ouders waarvoor een rechterlijke beslissing nodig is. Doordat drangtrajecten niet in de wet zijn geregeld, ontbreekt het ouders en minderjarige aan rechtsbescherming. Er zijn in zo’n geval immers geen mogelijkheden tot bezwaar of beroep.

Jeugdbeschermingsstelsel onvoldoende op orde
Naast de problematische juridische positie van ouders en kinderen, is ook gebleken dat het jeugdbeschermingsstelsel sinds de invoering van de Jeugdwet in 2015 onvoldoende op orde is. Het hulpaanbod is ontoereikend en de wachtlijsten en doorlooptijden zijn te lang. Daarnaast is er een tekort aan jeugdbeschermers. Hierdoor komt de uitvoering van ondertoezichtstelling (OTS) onvoldoende tot zijn recht.

OTS is een kinderbeschermingsmaatregel die kan worden aangevraagd wanneer er zorgen zijn of minderjarige kinderen zich veilig kunnen ontwikkelen in de thuissituatie. Een OTS kan alleen worden opgelegd door een kinderrechter, en dus niet door een jeugdbeschermingsorganisatie. De maatregel dient alleen te worden opgelegd wanneer de kinderrechter denkt dat de ouders binnen afzienbare tijd weer in staat zullen zijn hun kinderen zelfstandig te verzorgen en op te voeden. Bij een OTS krijgt het gezin een gezinsvoogd of jeugdbeschermer toegewezen, die helpt de ouders hiertoe in staat te stellen. OTS is altijd tijdelijk en duurt maximaal 12 maanden, soms met verlenging. De maatregel zou gericht moeten zijn op terugplaatsing en het voorkomen dat broertjes en zusjes van elkaar gescheiden worden, maar als gevolg van het tekort aan jeugdbeschermers is hiervan in de praktijk weinig sprake.

Gecertificeerde jeugdbeschermingsinstellingen staan bovendien onder grote druk, en vallen in sommige gevallen zelfs om. Een voorbeeld hiervan is jeugdinstelling de Vliethoeve in Zeeland, die eind 2019 haar deuren sloot. De Vliethoeve opende haar deuren in januari 2010, maar de aanwezigheid van de gesloten jeugdinstelling leidde in de jaren die volgden herhaaldelijk tot problemen. Zo waren er vaker dan gemiddeld berichten in de media over vermissingen van jongeren die van de Vliethoeve waren weggelopen. Ook bleek dat Noord-Beveland, de gemeente waarin de instelling zich bevond, na Vlissingen en Goes de gemeente is met de meeste verdachten van misdrijven in heel Zeeland. Dat feit is waarschijnlijk ook gerelateerd aan de aanwezigheid van de Vliethoeve. In 2016 brak er een grote crisis uit; personeelsleden stelden in een anonieme brandbrief dat zij zich grote zorgen maakten over de veiligheid van zowel het personeel als de jongeren die in de instelling verbleven. Volgens deze personeelsleden was er sprake van een tekort aan vast personeel, een te krappe bezetting en een hoog ziekteverzuim. Hierdoor waren jongeren in staat om drank en drugs de instelling binnen te smokkelen en daar zelfs in te handelen. Ook kwamen bewoners ten onrechte in de isoleercel terecht en moest de politie meermaals ingrijpen bij conflicten tussen bewoners en personeel.

De Vliethoeve is geenszins de enige instelling waar sprake was van problemen. De organisatie waaronder de Vliethoeve viel, Juzt, viel in 2019 uiteindelijk om vanwege financiële problemen. In het najaar van datzelfde jaar meldde het AD dat tientallen jeugdzorginstellingen failliet dreigden te gaan. Jeugdzorg noemde de situatie destijds alarmerend.

Gedragswetenschappelijk onderzoek
De factsheet benadrukt ook het feit dat de effecten van uithuisplaatsing niet altijd positief zijn, ondanks het feit dat ook onterecht niet uit huis plaatsen schadelijk kan zijn voor kinderen. Er wordt verwezen naar een studie van Goemans et al., waarin wordt aangetoond dat kinderen die in pleegzorg opgroeien lagere niveaus van functioneren laten zien dan kinderen in de algemene populatie en dat er geen verschillen te zien zijn tussen kinderen in pleegzorg en kinderen in risicosituaties die niet uit huis worden geplaatst. De studie concludeert dat kinderen die uit huis worden geplaatst vaak uit een familiesituatie komen die beëindigd is met de traumatische gebeurtenis van het tijdelijk of permanent gescheiden worden van hun ouders. Deze kinderen moeten niet alleen deze traumatische gebeurtenis verwerken, maar worden ook geacht zich aan te passen aan een nieuw gezin en een nieuwe leefsituatie. Onder dergelijke belastende omstandigheden is het zeer goed mogelijk dat problemen met gedrag en functioneren blijven bestaan, zelfs wanneer de nieuwe omgeving een duidelijke verbetering is op de oude. Kinderen in pleegzorg laten op de lange termijn geen verbetering zien in hun functioneren, wat zorgelijk is vanwege het feit dat kinderen die in pleegzorg geplaatst worden vaak kampen met ontwikkelingsproblemen.

Bovendien heeft wetenschappelijk onderzoek uit de gehechtheidstheorie aangetoond dat stabiele gehechtheidsrelaties met vertrouwde opvoeders die een veilige basis kunnen bieden van essentieel belang zijn voor het welzijn van kinderen. Er wordt verwezen naar een consensus statement van een groep wetenschappers op het gebied van gehechtheid, die onder andere stelt dat het van wezenlijk belang is om gezinnen te ondersteunen bij het verlenen van adequate zorg aan hun kinderen en de continuïteit van die zorg niet te bedreigen tenzij daarvoor zeer ernstige redenen zijn aan te voeren. In de praktijk betekent dit dat de continuïteit van de verzorger zwaar moet wegen in de afweging om een kind wel of niet uit huis te plaatsen, ook als een andere gezinssituatie vanuit sommige perspectieven beter zou zijn voor de ontwikkeling van het kind. Daarnaast kunnen broertjes en zusjes lang niet altijd samen in hetzelfde pleeggezin worden geplaatst, wat de continuïteit van de gezinssituatie verder aantast en het risico dat de plaatsing mislukt doet toenemen.

Staatsontvoeringen: 115 kinderen van ‘Toeslagenouders’ uit huis geplaatst.

In Nederland is de afgelopen maanden sprake van veel commotie omtrent Jeugdzorg, nadat in oktober 2021 duidelijk werd dat 1.115 kinderen van door de toeslagenaffaire gedupeerde ouders sinds 2015 uit huis zijn geplaatst. In februari van dit jaar bleek dat nog geen van deze kinderen met hun ouders waren herenigd. De factsheet van de Universiteit Leiden bevestigt wat veel ouders al langer vreesden, namelijk dat de financiële problemen die het gevolg waren van de toeslagenaffaire in sommige gevallen de enige reden waren om een kind uit huis te plaatsen. De gang van zaken heeft geleid tot talloze zeer schrijnende situaties, zoals in het geval van de inmiddels achttienjarige Rynaldo, die in december 2021 zijn verhaal vertelde aan Trouw, of het geval van Agnes Plaatje, die inmiddels al jarenlang geen idee heeft waar haar inmiddels dertienjarige dochter is. Op 1 april van dit jaar vond een steunmanifestatie plaats voor de gedupeerden van de toeslagenaffaire.

Onzes inziens is zeer duidelijk dat er sprake is van grote problemen omtrent uithuisplaatsingen van kinderen. De juridische positie van ouders is door onduidelijkheden in de wetgeving zeer precair, en de invloed van de kinderrechter is beperkt. Er is sprake van grote onduidelijkheid over de vraag wat wel en geen terechte gronden zijn voor een uithuisplaatsing van een kind, waardoor de overheid in staat is inbreuk te plegen op de gezinssituatie van haar burgers op manieren die hun fundamentele rechten schenden. De trieste realiteit is dat de 1.115 kinderen van “toeslagenouders” slechts het topje van de ijsberg zijn; in de eerste helft van 2021 hadden in Nederland 37.515 jeugdigen te maken met een uithuisplaatsing. Of deze uithuisplaatsingen in alle gevallen gegrond waren, en waar deze kinderen terecht zijn gekomen, blijft de vraag. Het feit dat dit plaats kan vinden in wat een democratische rechtsstaat behoort te zijn, is schokkend en zeer zorgelijk. Feit is dat wij in een land leven waar het juridisch mogelijk is voor de staat om de grondrechten van haar burgers met voeten te treden en ouders hun kinderen af te nemen, in sommige gevallen zelfs zonder hen te vertellen waar deze kinderen vervolgens verblijven.

Team Doe Zelf normaal maakt zich ernstige zorgen over deze gang van zaken. Recent riepen wij zogenoemde “toeslagenouders” die hun kinderen kwijt zijn op om bij ons hun verhaal te vertellen. Aanstaande donderdag zal er een Kamerdebat plaatsvinden over uithuisplaatsingen. Wij roepen het kabinet en alle Tweede Kamerleden op om aangaande deze kwestie tot onmiddellijke actie over te gaan zodat zoveel mogelijk kinderen met hun ouders herenigd kunnen worden, en om bij gebrek aan dergelijke actie gepaste druk uit te oefenen.

Wij zullen het Kamerdebat uiteraard met interesse volgen en hierover indien nodig rapporteren.

N.B. Dit artikel is gebaseerd op de bevindingen zoals gepresenteerd in de genoemde factsheet van de Universiteit Leiden, en poogt de belangrijkste punten hieruit samen te vatten. Echter raad in eenieder aan de factsheet (slechts 15 pagina’s) vooral in zijn geheel te lezen en de referenties te bekijken.


DZN professionaliseert en wordt onderdeel van DZN Media! Waardeer je onze journalistiek? Steun ons dan met een donatie!

Delen op sociale media