Door: Jade Kuit

Ik houd van woorden.

Al op jonge leeftijd raakte ik in de ban van taal. Zoals Paulien Cornelisse het uitdrukt: taal is zeg maar écht mijn ding. Ik kan mij niet eens herinneren hoe ik heb leren lezen; ik weet alleen dat ik het op zeker moment – ergens vlak voor mijn vierde verjaardag – gewoon kon. Vanaf dat moment draaide alles om boeken. Ik verslond ze met een snelheid en een concentratie die ik als volwassene nooit heb weten te evenaren. Hierdoor leerde ik heel snel heel veel woorden en deed ik heel veel kennis op, waardoor ik soms dingen zei en dingen wist die een kind van die leeftijd niet “hoort” te zeggen of te weten. Inmiddels weet ik, en begrijp ik tot op zekere hoogte ook, dat volwassenen het af en toe ongemakkelijk vonden om mij te horen praten, en dat sommigen hun oordeel klaar hadden over het feit dat mijn ouders toestonden dat ik boeken las waarvoor ik eigenlijk te jong was. Maar er was geen houden aan. Als ik geen boeken had, was ik niet te genieten.

Zo kwam het dat ik, toen ik een jaar of acht was, bij onze plaatselijke bibliotheek een pasje voor volwassenen kreeg. Dat pasje wilden ze me eigenlijk niet geven, en ik kreeg het ook pas nadat mijn vader zijn handtekening had gezet – waarschijnlijk onder een verklaring dat de bibliotheek niet verantwoordelijk was voor hoe bijdehand en vervelend ik zou worden, of voor eventuele nachtmerries. Tevreden wandelde ik de bibliotheek uit met mijn Stephen King – verhalenbundels en andere leeftijdsongeschikte boeken. De mevrouw achter de balie keek ons afkeurend na.

Ik weet nog altijd niet precies waarom ik zodanig gefascineerd raakte door boeken en taal. Briljant vond ik het dat iemand die ik nooit zou ontmoeten – en die in sommige gevallen zelfs al heel lang dood was – mij een verhaal kon vertellen zonder ooit tegen me te spreken, en dat ik dat verhaal kon “bewaren” zonder dat ik het hoefde te onthouden. Hoewel ik het niet als zodanig had kunnen uitleggen, realiseerde ik me al heel vroeg dat taal – en in het verlengde daarvan het schrift – een essentieel onderdeel is van wat het betekent om een mens te zijn. De mens is de enige diersoort die over zoiets geniaals beschikt. Het klopt dat dieren ook zo hun manieren hebben om elkaar dingen te laten weten, maar dat is communicatie, en geen taal. Taal is een uniek en ten diepste menselijk verschijnsel, en het is de voornaamste reden waarom de mensheid haar eigen geschiedenis kent. Sterker nog: wetenschappers definiëren de “geschiedenis” – of “historie” – als zijnde de periode waarover geschreven bronnen bestaan. Alles over de periode voorafgaand aan de ontwikkeling van het schrift is “prehistorie”.

Citaat van schrijver Kazuo Ishiguro. “Verhalen gaan over een persoon die tegen een ander zegt: dit is hoe het voelt voor mij. Kun je begrijpen wat ik zeg? Voelt het voor jou ook zo?”

Citaat van schrijver Kazuo Ishiguro. “Verhalen gaan over een persoon die tegen een ander zegt: dit is hoe het voelt voor mij. Kun je begrijpen wat ik zeg? Voelt het voor jou ook zo?”

Taal maakt het mogelijk dat ik de gedachten en gevoelens ken van mensen wier skeletten al eeuwen voor mijn geboorte tot stof waren vergaan. Taal zorgt ervoor dat mensen elkaar kennen zonder ooit fysiek in elkaars nabijheid te zijn geweest. Taal maakte mij bewust van het enigszins ontroerende feit dat mensen in hun diepste essentie altijd mensen zijn geweest – de overpeinzingen van iemand die duizend jaar geleden leefde, kunnen net zo herkenbaar zijn als die van een tijdgenoot. Een amusant voorbeeld hiervan is Maeshowe, een graftombe in Schotland waarin Vikingen omtrent 3000 voor Christus graffiti achterlieten die je even goed in onze tijd zou kunnen tegenkomen – “Ingigerth is de mooiste van alle vrouwen,” kalkte iemand op de muur, naast een tekening van een kwijlende hond.

Taal is verbinding. Taal is onsterfelijkheid, op een manier die nooit door artificiële intelligentie geëvenaard zal worden. De Franse verzetsheldin Jeanne d’Arc werd op 30 mei 1431 door de Engelsen verbrand, maar dankzij taal heeft zij al die tijd voortgeleefd in het collectieve bewustzijn van Europa, en leefde zij voor mij al toen ik een kleuter was (bedankt, Simone van der Vlugt).

Taal was en is de manier waarop ik mij verhoud tot andere mensen en verbinding met hen vind. Het is de reden waarom ik nooit eenzaam was, ondanks het feit dat kinderen die op hun vierde leren lezen vaak niet veel vriendjes maken. In feite is het de enige reden waarom ik nog geloof in de inherente goedheid van de mens – omdat ik dankzij taal weet dat er altijd mensen zijn geweest die dachten en voelden zoals ik, en dat er altijd mensen waren met oprechte harten en goede bedoelingen. Ik weet het, want ik heb het gelezen.

Ik kwam er echter ook al snel achter dat de verbindende kracht van taal en het vermogen ervan om informatie in theorie eeuwig te bewaren en te delen niet door iedereen gewaardeerd werden zoals ze door mij gewaardeerd werden. Zo leerde ik dat machtige personen, organisaties en religieuze instituten zich door de hele geschiedenis schuldig hadden gemaakt aan iets dat ik vrijwel meteen als een doodzonde zag: boekverbrandingen. De horror.

Door de geschiedenis heen heeft de mensheid door toedoen van hen die de verbindende kracht van taal vreesden enorme hoeveelheden kennis verloren. Naïef genoeg dacht ik in mijn schooltijd nog dat zoiets barbaars wel tot het verleden moest behoren. Niets is echter minder waar gebleken. Anno 2022 zien wij een moderne vorm van boekverbrandingen plaatsvinden onder de noemer “bestrijding van desinformatie.” Onbegrijpelijk vind ik het dat er mensen zijn die pleiten voor deze praktijken, die in essentie even onbeschaafd en schandalig zijn als het vernietigen van alle destijds bestaande literatuur door de Chinese keizer Huang Ti in 213 voor Christus. Dat de vernietiging in onze tijd niet langer fysiek is, doet er mijns inziens niet zoveel toe. Feit is dat alle boekverbrandingen – alle bekende gevallen van censuur – gebaseerd zijn op het ridicule idee dat één persoon, één staat of één organisatie kan en mag bepalen welke kennis op “de waarheid” berust, en welke woorden het plebs moeten worden toegestaan tot zich te nemen.

Wie een poging doet om taal aan banden te leggen, doet afbreuk aan de verbindende kracht ervan, die alleen kan bestaan wanneer er geen restricties zijn aan wat men kan en mag zeggen. Dat is natuurlijk opzettelijk; een volk dat wordt belemmerd in het delen van informatie en ideeën, kan zich minder gemakkelijk verenigen. Vrijheid in woord en geschrift is een absolute voorwaarde voor een vrij en waardig leven. Ik voel mij dan ook tot in het diepst van mijn ziel gekrenkt door de toenemende censuur van het huidige tijdperk en door pogingen van transgenderactivisten om een onnatuurlijke ontwikkeling van onze taal te forceren door de betekenis van woorden kunstmatig en gedwongen aan te passen. Het is een schending van een principe waarin ik al heilig geloofde voordat ik in staat was het te benoemen: het principe van vrije uitwisseling van informatie (maar ook van gedachten en gevoelens).

Dit is in essentie de reden waarom ik doe wat ik doe, ondanks het feit dat ik niet altijd comfortabel ben met de positie die ik nu inneem in de maatschappij, en die mij bij tijd en wijlen net iets te publiek is. Ik moet de dingen zeggen waarvan ik voel dat ze goed en waar zijn, omdat ik de astronomische gevolgen ken die kunnen optreden als ik het nalaat.

Eenieder die, net als ik, wel eens wakker heeft gelegen over de bibliotheek van Alexandrië zal weten wat ik bedoel.

DZN profesionaliseert en wordt onderdeel van DZN Media! Waardeer je onze journalistiek? Steun ons dan met een donatie!

Delen op sociale media