“Soms denk je dat een artikel van de Speld is, maar is het toch niet van de Speld,” zei een van mijn beste vriendinnen vanmorgen in de groepschat van onze vriendengroep. Ik had vijf minuten eerder een link in de groep geplaatst naar een artikel van NOS getiteld “Te jong? Dan geen hamburger. Denktank CDA bepleit minimumleeftijd voor fastfood”.

Het wetenschappelijk instituut van het CDA vindt dat fastfoodrestaurants hun producten op korte termijn gezonder moeten maken. Lukt dat niet, dan moet overwogen worden de verkoop van fastfood aan kinderen te verbieden, zo pleit de denktank. Een van de auteurs van het vanmorgen verschenen rapport waaruit dit enigszins lachwekkende standpunt duidelijk werd, stelt dat fastfood op dezelfde manier bekeken dient te worden als alcohol en tabak. Het is schadelijk voor de gezondheid en daarom iets dat vanaf jonge leeftijd ontmoedigd moet worden.

Ik kan de gedachtegang van deze meneer niet inschatten, en ik spreek dus enkel voor mijzelf wanneer ik zeg dat alcohol en tabak toch echt van een zeer andere orde zijn dan fastfood. Ondanks het feit dat ik volgende maand mijn dertigste verjaardag vier, kom ik zo’n tachtig procent van de tijd de supermarkt niet uit met een fles wijn zonder dat een tien jaar jonger kassameisje me om mijn legitimatie vraagt. Maar goed, ik heb een vrij kinderlijk gezicht en draag slechts weinig make up (als ik het al draag), en alcohol gaat met de nodige risico’s gepaard, dus laat ik zonder morren mijn paspoort zien. Ik kan echter geen inschatting maken van mijn reactie als mij gevraagd zou worden me te legitimeren voor het kopen van een hamburger. Ik herhaal het nog maar eens: een hamburger.

Ik moet eerlijk toegeven dat de NOS de titel van het artikel inmiddels heeft veranderd in “CDA tegen plan van eigen denktank voor minimumleeftijd fastfood”. In het artikel is te lezen dat de reacties vanuit de eigen partij op het rapport niet positief waren. Kamerlid Kuik is van mening dat de suggestie van een minimumleeftijd te ver gaat, en ook VVD-Kamerlid Heerema sprak zich op Twitter tegen het idee uit. “Dat gaan we dus niet doen. Wij gunnen iedereen gewoon een patatje op zijn tijd.” Ook Forum voor Democratie is, iets voorspelbaarder wellicht, tegen.

Het lijkt er dus niet op dat dit ridicule plan op korte termijn gerealiseerd zal worden. Het simpele feit dat een wetenschappelijk instituut dat verwacht serieus genomen te worden met een dergelijk onzalig en volslagen absurd plan komt, is echter al reden genoeg om je zorgen te maken. Misschien moeten de auteurs van dit rapport de definitie van de term nanny state eens opzoeken. Voor het gemak heb ik het voor deze keer alvast voor hen gedaan:

Een nanny state is “een overheid die probeert te veel advies te geven of te veel wetten te maken over hoe mensen hun leven zouden moeten leven, vooral als het gaat om eten, roken of het drinken van alcohol.” Het verraderlijke van een dergelijke staat is dat het tot een zeer gevaarlijke situatie kan leiden, waarin het begrip eigen verantwoordelijkheid geleidelijk aan betekenis verliest en burgers stukje bij beetje (en vaak ongemerkt) steeds meer vrijheden inleveren. Welke intenties aan een dergelijk beleid ten grondslag liggen, is hierbij van ondergeschikt belang.

Ook in Nederland zien we dat de overheid zich geleidelijk aan meer en meer begon te mengen in het dagelijks leven van haar burgers. Sommige mensen beklaagden zich al over het in 2008 ingevoerde rookverbod in binnenruimtes, iets wat volgens hen in hoge mate betuttelend was. In 2019 oordeelde de rechter tot grote irritatie van tegenstanders dat ook rookruimtes verboden dienden te worden. De situatie is echter duidelijk geëscaleerd sinds het begin van de coronacrisis, een periode waarin de Nederlandse overheid met het grootste gemak de Grondwet, iedere vorm van (medische) privacy en elk respect voor vrijheid en zelfbeschikking aan haar spreekwoordelijke laars lapte.

Wellicht was de overheid zelf verbaasd over het gemak waarmee de gemiddelde Nederlander de verregaande bemoeienissen en inperkingen op hun levens accepteerden. Persoonlijk kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat ik de afgelopen maanden met toenemende frequentie nieuwsartikelen tegenkom over niveaus van betutteling die tegelijk lachwekkend en een beetje beangstigend zijn. Vorige week nog werd met verontwaardiging gereageerd op een voorstel om voor 60-plussers een fietshelm verplicht te stellen. Geruststellend misschien, maar het cynische deel van mijn persoonlijkheid vraagt zich af hoeveel van de ondervraagden zonder enige vorm van protest twee jaar lang met een niet-werkend mondkapje hebben rondgelopen of geweigerd hebben hun geliefden aan te raken.

Nu ik er langer over nadenk, kom ik tot een enigszins verontrustende gedachte. Als een tijdreiziger mij vijf jaar geleden de krantenkoppen van tijdens de coronacrisis had laten zien, had ik misschien ook wel gedacht dat ze van de Speld waren.

Delen op sociale media