Mark Rutte: van geschiedenisstudent tot dictator?  – Deel IV

Deel IV: Kabinet Rutte III en de kwestie dividendbelasting

Op 26 oktober 2017 werd het kabinet Rutte III geïnstalleerd, bestaande uit VVD, CDA, D66 en ChristenUnie. Zeven maanden later, op 25 april 2018, werd tegen minister-president Rutte een motie van afkeuring ingediend die gesteund werd door de gehele oppositie uitgezonderd SGP. Deze motie was het resultaat van zijn handelen met betrekking tot de kwestie rondom het afschaffen van de dividendbelasting. Team Doe Zelf Normaal vindt de gebeurtenissen rondom deze kwestie zeer tekenend voor het functioneren van minister-president Rutte en het politieke systeem in het algemeen.

Wat is de kwestie dividendbelasting?

Dividendbelasting is een belasting van 15% die bedrijven dienen te betalen wanneer zij winst (dividend) uitkeren aan hun aandeelhouders. De gemiddelde Nederlandse burger zal er zelden tot nooit direct mee te maken krijgen; het zijn vooral bedrijven uit China, Rusland, Canada, Taiwan, Turkije, Zuid-Korea en de Verenigde Staten die deze belasting betalen (https://npofocus.nl/artikel/7891/wat-is-de-dividendbelasting). De dividendbelasting was in 2006 met de wet Werken aan Winst (https://wetten.overheid.nl/BWBR0020645/2019-01-01) al verlaagd van 25 naar 15%.

In oktober 2017, vlak nadat het nieuwe kabinet was geïnstalleerd, opperde minister-president Rutte echter om deze belasting volledig af te schaffen, naar eigen zeggen “om Nederland aantrekkelijk te houden als vestigingsland.” Echter, vanuit de oppositie kwam vrijwel direct na het verschijnen van het regeerakkoord de vraag waarom het afschaffen van de dividendbelasting in geen enkel verkiezingsprogramma te vinden was. Ook was er geen notitie over te vinden in het formatiedossier; het woord dividendbelasting kwam alleen voor in een lobbybrief van werkgeversorganisatie VNO-NCW, van wie bekend is dat zij al jaren pleit voor het afschaffen ervan. De leiders van de coalitie hielden vol dat er geen notities of memo’s bestonden, en dat alle communicatie aangaande dit onderwerp mondeling was verlopen. Op 15 november 2017 verklaarde Rutte tijdens een debat over het onderwerp dat hij geen herinnering had aan memo’s aangaande de afschaffing van de dividendbelasting. Echter, nadat twee onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam in maart 2018 een beroep deden op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), bleken deze memo’s wel degelijk te bestaan (https://www.trouw.nl/nieuws/de-mist-die-rutte-creeerde-rond-de-memo-affaire~be95cc97/). Dit kwam Rutte, zoals eerder gezegd, in april op een motie van afkeuring te staan.

De twijfelachtige rol van het bedrijfsleven

Wie dieper in de kwestie dividendbelasting duikt, komt erachter dat de ophef rondom de ‘vergeten’ memo’s een symptoom is van een groter probleem. In deel I van deze levensloop wezen wij de lezer al op het bestaan van een lobbyorganisatie genaamd ABDUP. Deze organisatie bestaat uit vijf grote Nederlandse multinationals, namelijk AzkoNobel, Philips, DSM, Unilever en Shell. Informatie over het gezelschap is schaars en lastig te vinden, maar als gevolg van een Wob-verzoek bij drie ministeries door Jasper van Teeffelen, een onderzoeker van Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen(SOMO), is sinds begin 2019 het een en ander bekend geworden. ABDUP vergadert regelmatig in Hotel Des Indes in Den Haag, en bij deze halfjaarlijkse bijeenkomsten zijn regelmatig leden van het kabinet aanwezig. Zo was op 15 oktober 2007 staatssecretaris van Financiën Jan-Kees de Jager aanwezig. Een van de onderwerpen die besproken werd was de dividendbelasting. De recente verlaging daarvan naar 15% was blijkbaar onvoldoende voor AzkoNobel, Unilever, Shell en Philips, die ‘graag een afschaffing van de dividendbelasting geëffectueerd zagen per juli 2008.’ Zij voegden ‘anti-misbruikmaatregelen’ aan het totaalpakket toe om belastingontduiking te voorkomen, en opperden dat deze maatregelen als argument gebruikt konden worden om het totaalpakket door middel van een spoedprocedure doorgang te laten vinden. Uiteindelijk werd de eerste poging om dit totaalpakket door te voeren pas in 2017 door Rutte gedaan (https://www.ftm.nl/artikelen/abdup-lobby-nederlandse-multinationals?share=%2FVhAwgbS01UmnKf8ut2q6HfPZp2vLWceQd0JYRX3y%2BCqaYpgK3HAidYyaGFKIQ%3D%3D).

De betrokkenheid van ABDUP bij de kwestie dividendbelasting gaat echter nog verder. Uit het partijstuk van Rutte bleek dat met name een onderzoek uit 2009 door de Rotterdam School of Management(RSM), onderdeel van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), belangrijk was ter onderbouwing van het kabinetsbesluit. Dit door ‘onafhankelijke’ wetenschappers uitgevoerde onderzoek concludeerde dat de dividendbelasting een gezond vestigingsklimaat in Nederland in de weg stond, en voorzag op deze manier het jaren oude standpunt van de bedrijfslobby van wetenschappelijke onderbouwing. Officieel stond op het rapport vermeld dat het onderzoek was uitgevoerd in opdracht van werkgeversorganisatie VNO-NCW. Het bleek echter dat ook Shell, Unilever, AzkoNobel, DSM en Philips opdrachtgevers waren; de leden van lobbyorganisatie ABDUP (https://www.ftm.nl/artikelen/shell-rsm-onderzoek-dividendbelasting?share=vZUIJ6iJTneznQxf0fvHEBXo3UA9qkiq4S7PDA08vCtdHWl9xOvirlhujWOMQg%3D%3D).  Hoewel Shell in 2017 ontkende een van de opdrachtgevers achter het onderzoek te zijn, kwamen tijdens een onderzoek door de denktank Changerism bonnetjes boven tafel waaruit bleek dat Shell ruim 300,000 euro aan de EUR overmaakte voor het onderzoek (https://drive.google.com/file/d/1Z1HLXRVh7jnpWE24E6MOk_b1jN-wHlZ0/view).

Schaduwregering

De ontstaansgeschiedenis van ABDUP is slechts deels terug te vinden, maar het is wel bekend dat deze organisatie in het leven is geroepen na de Tweede Wereldoorlog. De deelnemende bedrijven hadden in deze tijd allemaal dochterbedrijven in Duitsland, waarover zij de controle terug wilden krijgen en die zij wilden beschermen tegen Duitse kapitaalheffing en de anti-grootbedrijfspolitiek van de geallieerden. Historicus Martijn Lak vindt het opvallend dat ABDUP al sinds haar ontstaan nauwe banden onderhoudt met de overheid; zo werd de gevluchte Nederlandse regering tijdens de oorlog in Londen opgevangen in kantoren van Unilever en Shell (https://www.eur.nl/sites/corporate/files/Thesis_Lak.pdf). Deze nauwe banden tussen de overheid en ABDUP zijn duidelijk geenszins verbroken; het is tot op de dag van vandaag een gewoonte binnen deze organisatie om elkaar te tutoyeren en voornamen te gebruiken. Ook onze minister-president heeft blijkbaar een goede verstandhouding met de lobbyorganisatie waarvan zijn oude werkgever deel is; zie onderstaande brief van Unilever-directeur Paul Polman, waarin hij Rutte formeel uitnodigt voor een ABDUP-bijeenkomst:

Wiero Beek, een ex-topmanager van Unilever, sloeg in 1993 alarm omdat Unilever, samen met andere ABDUP (toen nog ABUP) partijen, zich volgens hem schuldig maakte aan het massaal laten afvloeien van personeel via de Wet arbeidsongeschiktheid (Wao). Hij stelde dat dit misbruik was gepleegd in samenspraak met FNV-voorzitter Wim Kok, en dat ABUP in feite een soort schaduwregering vormde waarin nooit notulen worden opgesteld. Zowel de betrokken bedrijven als regeringsleiders zijn al decennia lang vaag over het bestaan en de functie van de organisatie. Op verzoeken om meer informatie wordt kort en terughoudend gereageerd. ABDUP is overigens geenszins de enige lobbyorganisatie die buiten het zicht van de burger om invloed uitoefent op de politiek. Politicoloog Eelke Heemskerk noemt deze organisaties informele diner- en debatclubs waar de bedrijfselite bijeenkomt. Hij en anderen noemen er een aantal, waarvan de belangrijkste de Tafelronde en de Pijp zijn (https://www.ftm.nl/artikelen/abdup-lobby-nederlandse-multinationals?share=%2FVhAwgbS01UmnKf8ut2q6HfPZp2vLWceQd0JYRX3y%2BCqaYpgK3HAidYyaGFKIQ%3D%3D).

Minister-president Rutte blijkt de uitnodiging voor de ABDUP-bijeenkomst van 2018 overigens te hebben afgeslagen. Wel was hij aantoonbaar aanwezig in 2011. Team Doe Zelf Normaal vindt het in ieder geval opvallend dat onze minister-president banden onderhoudt met een lobbyorganisatie van onder andere zijn eigen ex-werkgever, en vraagt zich ook ernstig af of het toeval is dat hij de uitnodiging van Polman afsloeg, uitgerekend in het jaar waarin hij in opspraak raakte voor zijn poging om een wetswijziging door te voeren in het voordeel van deze lobby. Ook hebben wij ernstige twijfels over het functioneren van een politiek systeem waarin het beleid in grote mate, en bovendien buiten het zicht van de burger, beïnvloed en bepaald wordt door lobbyorganisaties. Handelt minister-president Rutte, en met hem het gehele politieke systeem, in het belang van de burger of in het belang van machtige bedrijven? Deze vraag is ook met betrekking tot het beleid rondom de coronacrisis vanzelfsprekend zeer relevant.

 

Mark Rutte: van geschiedenisstudent tot dictator?  – Deel III

Deel III: Rutte I en II, Europa, en de staatsschuldencrisis

Op 14 oktober 2010 trad het kabinet Rutte I aan, bestaande uit VVD en CDA met gedoogsteun van PVV. Vlak voor de verkiezingen was Rutte zeer uitgesproken over zijn mening dat er minder Nederlands geld naar de Europese Unie moest gaan; echter spreekt er uit het beleid dat hij voerde, met name met betrekking tot de Europese staatsschuldencrisis, een ander verhaal. Uit het verkiezingsprogramma van de VVD van 2010: “De Europese begroting moet volgens de VVD kritisch worden bezien. De uitgaven moeten worden teruggebracht tot onder 1 procent van het bruto nationaal product, om de EU efficiënter, moderner en effectiever te maken. De handhaving van een strikt uitgavenplafond staat daarbij voorop, en er moet worden afgewogen welke taken wel en niet tot het domein van de EU behoren. (…) De VVD vindt dat te allen tijde voorkomen moet worden dat de Nederlandse bijdrage per inwoner aan de EU opnieuw stijgt.” (bron: https://www.parlement.com/9291000/d/2010_vvd_verkiezingsprogramma.pdf)

Echter werd tijdens kabinet Rutte I het Europees noodfonds (EFSF) ten behoeve van Griekenland uitgebreid, en ging er 130 miljard euro naar Griekenland. Gedurende deze periode werd Rutte betrapt op het verstrekken van onjuiste informatie: na de Eurotop in juli 2011 beweerde hij tijdens een persconferentie dat het tweede steunpakket voor Griekenland 109 miljard euro bedroeg, waarvan 50 miljard afkomstig zou zijn van banken. Andere regeringsleiders zeiden echter dat het ging om 109 miljard, plus 50 miljard van de banken. Hiermee deed hij het lijken alsof de banken percentueel meer betaalden dan daadwerkelijk het geval was(https://www.tubantia.nl/binnenland/rutte-excuus-voor-ongelukkige-communicatie~a331a35a/). Rutte noemde zijn communicatie met betrekking tot het steunpakket “ongelukkig” en bood zijn excuses aan, maar kon niet voorkomen dat de SP een motie van afkeuring tegen hem indiende. Deze motie vond echter alleen steun van de PvdD (https://www.tubantia.nl/economie/motie-van-afkeuring-sp-over-verkeerde-rekensom-rutte-verworpen~a697a48a/).

Na de val van Rutte I in 2012 als gevolg van het wegvallen van de gedoogsteun van de PVV, beweerde Rutte stellig dat hij niet zou instemmen met een nieuwe geldstroom richting Griekenland; zowel hij als PVV-leider Wilders stemden tegen de stelling dat alles gedaan zou moeten worden om de eurozone bij elkaar te houden (https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/artikel/2854976/rutte-geen-geld-meer-naar-griekenland). Kabinet Rutte II (bestaande uit VVD en PvdA) bleek deze belofte echter wederom niet te kunnen waarmaken; vlak na het aantreden van dit nieuwe kabinet in november 2011 stemden de eurolanden, inclusief Nederland, in met een renteverlaging op de leningen aan Griekenland. Opnieuw gaf Rutte het breken van zijn belofte toe (https://www.ad.nl/binnenland/rutte-geeft-breken-van-zijn-belofte-over-griekenland-toe~a9f550f1/). In 2015 stemde de VVD voor een derde steunpakket ten behoeve van Griekenland. Weer raakte Rutte onder vuur voor het breken van zijn verkiezingsbelofte, maar de premier reageerde hierop door te zeggen dat de context was veranderd, voornamelijk als gevolg van de houding van Griekenland. De oppositie was van mening dat Rutte zich hier te gemakkelijk van af maakte, gezien het feit dat andere partijleiders zich wel hadden onthouden van het doen van beloftes met betrekking tot Griekenland(https://www.nrc.nl/nieuws/2015/08/19/live-de-tweede-kamer-spreekt-over-steunpakket-griekenland-a1413864).

De acties van premier Rutte roepen wat ons betreft vragen op over de manier waarop hij zich werkelijk verhoudt tot de Europese Unie. Het laatste verkiezingsprogramma van de VVD vertelt ons dat deze partij voorstander is van de Europese Unie, omdat open grenzen zouden leiden tot een vrije marktwerking in Europa, en zo tot een stijgende welvaart (https://vvd.nl/content/uploads/2016/11/vvd_verkiezingsprogramma_pages.pdf). Hoewel dit in theorie logisch lijkt, is het onzes inziens niet wat er daadwerkelijk plaatsvindt. Wij vinden het bijvoorbeeld zeer opvallend dat tussen 5 juni 2017 en 27 juni 2018 73 procent van de gesprekken die de Nederlandse permanente vertegenwoordiging (PV) in Brussel voerde, met lobbyisten uit het bedrijfsleven was. Ter contrast: NGO’s vertegenwoordigden ongeveer 15 procent. Ook leden van het Europees Parlement hebben veelvuldig afspraken met het bedrijfsleven (https://www.ftm.nl/artikelen/bedrijfslobby-nederlandse-vertegenwoordigers-brussel?share=G9tJn8RxllrST2sws0gqiT9OjuPsXcQG43i6BrZI47ZF6pB8fKmWGAG4K9ukJPo%3D). Wij vragen ons dan ook af of de sterke motivatie van premier Rutte om de EU in stand te houden, daadwerkelijk voortkomt uit de overtuiging dat dit zal leiden tot meer welvaart voor de Nederlandse bevolking, of wellicht te maken heeft met het feit dat het sinds het bestaan van de EU en de eurozone voor grote bedrijven (en met name multinationals) gemakkelijker is om invloed uit te oefenen op beleidsvorming, of bijvoorbeeld te profiteren van belastingvoordelen van omliggende landen. Met betrekking tot de staatsschuldencrisis zien wij Rutte opnieuw handelen in het belang van banken en het bedrijfsleven, in plaats van in het belang van de burgers die hem gekozen hebben.

 

Mark Rutte: van geschiedenisstudent tot dictator?  – Deel II

Deel II: staatssecretariaat en politieke doorbraak

In 2002 trad Rutte aan als staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, tijdens het kabinet Balkenende I. Hij behield deze functie tijdens Balkenende II, alvorens in 2004 het staatssecretariaat van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over te nemen van Annette Nijs.

Tijdens zijn staatssecretariaat bij Sociale Zaken adviseerde Rutte in 2003 gemeenten om Somalische inwoners extra te controleren op bijstandsfraude. Dit naar aanleiding van enkele zaken van bijstandsfraude waarbij mensen van Somalische afkomst betrokken waren. Een Somalische man spande vervolgens een rechtszaak aan, nadat hij door sociale rechercheurs was staande gehouden op basis van uiterlijke kenmerken. Toen de man weigerde hen zijn woning te laten betreden, verloor hij zijn bijstandsuitkering. In 2007 oordeelde de rechtbank van Den Haag dat het verzoek van Rutte om extra controles bij Somalische mensen discriminatoir was en in strijd met de grondwet. De rechter sprak van “discriminatie naar ras, omdat het hier een groep mensen van Somalische afkomst betreft, ongeacht de nationaliteit van de betrokkenen (https://www.nu.nl/algemeen/1082182/rechtbank-rutte-zette-aan-tot-discriminatie.html).” Het is dus geenszins de eerste keer dat de acties van Rutte in strijd zijn met de grondwet. In 2003 nam hij het er ook al niet zo nauw mee.

In 2006 was Rutte eveneens campagneleider voor de VVD voor de gemeenteraadsverkiezingen van dat jaar. Op 9 maart van hetzelfde jaar maakte hij bekend zich kandidaat te stellen voor het lijsttrekkerschap van de VVD. Op 4 april maakte partijgenoot Rita Verdonk bekend hetzelfde te doen, waarop een hevige strijd tussen de twee losbarstte die binnen de VVD voor veel verdeeldheid zorgde. Verdonk, die als minister van Vreemdelingenzaken en Integratie een reputatie had opgebouwd voor haar strenge beleid, was van mening dat Rutte te gematigd was, en zei later, in 2007, dat hij voor haar niet rechts genoeg was (https://www.trouw.nl/nieuws/verdonk-over-rutte-hij-is-mij-niet-rechts-genoeg~b50f8dcd/). Ruttes reactie hierop was dat VVD-kamerleden die zichzelf niet konden wegcijferen voor de liberale visie, dienden “op te hoepelen (http://archief.ntr.nl/nova/page/detail/nieuws/9635/Rutte%20eist_%20luisteren%20of%20ophoepelen.html).” Kritiek heeft onze minister-president blijkbaar nooit bijzonder goed kunnen dulden.

Het intern referendum waarbij VVD-leden bepaalden wie de nieuwe lijsttrekker zou worden, deed veel stof opwaaien, niet in de laatste plaats omdat Verdonk de gang van zaken niet leek te vertrouwen. Zij eiste dat haar campagneteam gebruik mocht maken van eigen waarnemers, omdat de stemprocedure fraudegevoelig zou zijn. Het partijbestuur reageerde hierop met verbazing, en Rutte verklaarde de suggestie van wantrouwen van Verdonk niet te delen (https://www.trouw.nl/nieuws/verdonk-wil-eerlijker-verloop-lijsttrekkerverkiezing~be6b8390/).

Ondanks het feit dat Verdonk in de peilingen onder de bevolking de voorkeur leek te hebben, werd op 31 mei 2006 bekend dat Rutte met 51,5% van de stemmen door de VVD was verkozen tot lijsttrekker. Verdonk suggereerde later onder andere tijdens een interview bij Pauw en Witteman dat zij vermoedde dat de procedure “niet eerlijk was verlopen (https://www.youtube.com/watch?v=DuQXnlrqVsl).”

Ze stelde het leiderschap van Rutte opnieuw ter discussie toen zij bij de Tweede Kamerverkiezingen meer voorkeursstemmen behaalde dan hij (https://www.nd.nl/nieuws/politiek/675680/verdonk-populairder-dan-rutte). Dit was een unieke situatie in de Nederlandse politieke geschiedenis, maar leidde niet tot enige consequenties; het verzoek van Verdonk aan het partijbestuur om een onderzoek in te stellen naar eventuele consequenties, werd nog dezelfde dag verworpen. De fractie verklaarde dat er over het leiderschap van Rutte geen discussie mogelijk was (https://www.parlement.com/id/vhg4k0ybzlwm/nieuws/verdonk_schikt_zich_in_leiderschap_rutte?ctx=vhnnmt7l9z6v).

In september 2007 werd Verdonk door Rutte uit de fractie gezet, omdat zij volgens hem “de partij te vaak schade had berokkend door uitspraken in de media (https://www.nu.nl/algemeen/1234057/vvd-leider-rutte-zet-verdonk-uit-fractie-video.html).

Over Verdonk en haar politieke carrière zijn en blijven de meningen verdeeld, maar team Doe Zelf Normaal vindt de gebeurtenissen rondom haar en Rutte een goed voorbeeld van wat de consequenties kunnen zijn wanneer men het leiderschap van onze huidige minister-president in twijfel trekt.

Wordt vervolgd!

Mark Rutte: van geschiedenisstudent tot dictator? – Deel I

Sinds het begin van de coronacrisis is er, onder andere door team Doe Zelf Normaal, veel gezegd en geschreven over onze huidige minister-president, Mark Rutte. Onzes inziens is het meer dan duidelijk dat deze politicus zich heeft laten corrumperen door het bedrijfsleven en het “grote geld.” Daarom hierbij een korte samenvatting van de levensloop en (politieke) activiteiten van de premier. 

Deel I: JOVD en Unilever

Mark Rutte studeerde van 1984 tot 1992 geschiedenis aan de universiteit van Leiden. Van 1988 tot 1991 was hij tevens voorzitter van de Jongerenorganisatie Vrijheid en Democratie (JOVD), een politieke jongerenorganisatie die gelieerd is aan de VVD. Deze organisatie ondertekende in het jaar voor het begin van het voorzitterschap van Rutte nog een zogenaamde “petitie leeftijdsgrens zedelijkheidswetgeving,” waarin werd voorgesteld dat er uitzonderingen zouden moeten bestaan op de strafbaarheid van seksuele contacten met jeugdigen jonger dan zestien jaar (bron: https://www.brongersma.info/COC-petitie_zedelijkheidswetgeving).

Tijdens zijn voorzitterschap werd een motie aangenomen waarin werd gepleit voor wettelijke erkenning van commercieel draagmoederschap; een motie die Rutte zelf op televisie verdedigde (https://www.youtube.com/watch?v=x6IJmfjf29c).

Dus toen Rutte voorzitter was van de JOVD vond de JOVD  dat seksuele contacten met kinderen geoorloofd zijn (!), en dat het krijgen van kinderen een commerciële aangelegenheid moet kunnen zijn.

Tegenwoordig wordt commercieel draagmoederschap als mensenhandel gezien! Heeft onze premier zijn mening hierover daadwerkelijk gewijzigd?

Ook pedofilie was in de tijd dat Rutte voorzitter was van de JOVD geen enkel probleem. Met kinderen vanaf 16 jaar kon je legaal seks hebben, zoals we hierboven al aantoonden.

Hoe staat Rutte hier nu in? De VVD heeft nooit een probleem gemaakt van seks met minderjarigen.

Denk maar eens aan de vermeende seksuele contacten van VVD-er  en topambtenaar Joris Demmink met kleine Turkse jongetjes. Volgens Minister van Staat Korthals Altes, van 1982 – 1989 Minister van Justitie voor de VVD, was er niets van waar.

Dat Korthals tijdens zijn ministerschap pedofilie niet strafbaar wilde stellen, is opvallend te noemen.

Na zijn doctoraalexamen in 1992 was Rutte tien jaar lang werkzaam voor Unilever. Hij begeleidde daar onder andere enkele reorganisaties, was betrokken bij opleidingen en trainingen, en vanaf 1997 was hij er personeelsmanager. Unilever is een Brits-Nederlandse multinationale onderneming in levensmiddelen, die meer dan eens in opspraak is geweest voor ethische kwesties, waaronder de aankoop en het gebruik van illegale palmolie (https://www.theguardian.com/environment/2017/jul/21/pepsico-unilever-and-nestle-accused-of-complicity-in-illegal-rainforest-destruction).

Unilever bekleedt een zeer machtige positie op de levensmiddelenmarkt en is eigenaar van een lange lijst merken die te vinden zijn in supermarkten over de hele wereld. Dat dergelijke bedrijven belang hebben bij inspraak in de politiek, moge duidelijk zijn. In april 2019 bleek Unilever deel te zijn van een lobbyorganisatie waarover weinig publieke informatie te vinden is.

Als onderdeel van een grootschalig onderzoek (de Shell Papers, https://www.ftm.nl/dossier/shell-papers) door Follow the Money en Platform Authentieke Journalistiek (PAJ) werden destijds zeventien wob-verzoeken ingediend bij verschillende gemeenten, provincies en ministeries. In hun vooronderzoek stuitten zij op een lobby van vijf Nederlandse multinationals, genaamd ABDUP (AzkoNobel, Shell, DSM, Unilever en Philips).

Ook Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) kwam deze lobby tegen toen zij bij de ministeries van Algemene Zaken, Financiën en Economische Zaken, en Klimaat drie wob-verzoeken indienden. ABDUP blijkt halfjaarlijkse bijeenkomsten te organiseren waarbij verschillende Nederlandse politici aanschoven, waaronder Mark Rutte en Maxime Verhagen in 2011, Jeroen Dijsselbloem in 2016 en Jan-Kees de Jager in 2007 (https://www.ftm.nl/artikelen/abdup-lobby-nederlandse-multinationals?share=y6cPBVI9F2WDxgSYznSR9%2F98Dn%2F%2FuoFp5udrwFpmcXaV8oWpZ7S5MHGu2HUX5Q%3D%3D). Het heeft er dus alle schijn van dat Mark Rutte zijn banden met zijn oude werkgever geenszins heeft verbroken.

Wordt vervolgd!