Corona: een nieuw probleem, of toch niet?

Op 11 februari 2003 meldde het Chinese ministerie van Volksgezondheid aan de World Health Organization dat Zuid-China kampte met een uitbraak van een acute longziekte met nog onbekende oorzaak. Patiënten vertoonden symptomen waaronder hoge koorts, een droge hoest, spierpijn en zwakte. Deze ziekte kreeg de naam severe acute respiratory syndrome (SARS) en bleek later veroorzaakt te worden door een bepaald type coronavirus dat nu bekendstaat als SARS-CoV.  Verspreiding bleef grotendeels beperkt tot zorgmedewerkers, maar tegen eind maart 2003 waren er 350 vermoedelijke gevallen gemeld in dertien landen. In totaal vonden er in 32 verschillende landen uitbraken plaats. SARS-CoV werd destijds gezien als een serieuze bedreiging voor de westerse maatschappij. Echter, dit virus bleek niet zo besmettelijk als aanvankelijk werd gevreesd. Binnen enkele maanden nam het aantal besmettingen significant af, en in juli verklaarde de WHO dat de epidemie onder controle was. (Bron)

In 2012 werd de wereld opnieuw opgeschrikt door een grootschalige uitbraak van een potentieel dodelijk coronavirus: MERS-CoV. MERS (Middle Eastern Respiratory Syndrome) leidde tot soortgelijke symptomen als SARS, maar was met een sterftecijfer van rond de 30 procent wel aanzienlijk dodelijker. Echter verdween ook dit virus uiteindelijk van de radar zonder een pandemie te veroorzaken.

Wat is een coronavirus?

Coronavirussen zijn virussen die ziektes van het ademhalingsstelsel veroorzaken. Ze zijn vernoemd naar de proteïnen aan de buitenrand, die door een microscoop bekeken doen denken aan een kroon (Latijn: corona). Coronavirussen komen vooral voor bij mensen, vogels en vleermuizen, en veroorzaken bij mensen klachten aan het ademhalingsstelsel. Er zijn op dit moment zeven bekende coronavirussen. De ziektes die zij veroorzaken, variëren in ernst. Zo zijn er bijvoorbeeld twee coronavirussen die een normale verkoudheid veroorzaken; deze virussen zijn verantwoordelijk voor ongeveer tien procent van alle verkoudheden. De overige vijf coronavirussen kunnen ernstigere longinfecties veroorzaken en zijn in sommige gevallen dodelijk.

Inmiddels is de wereld bijna een jaar in de greep van een nieuw coronavirus: SARS-CoV-2. Dit virus veroorzaakt de ziekte COVID-19. Sinds het begin van de coronacrisis wordt door overheden en de media de indruk gewekt dat de uitbraak van dit virus volkomen onverwacht was. Wereldwijd bleken landen totaal onvoorbereid op een dergelijke gebeurtenis, en de gevolgen zijn, bijna een jaar later, pijnlijk duidelijk.
De opvatting dat de coronapandemie volledig onverwacht was en dat niemand zich hierop had kunnen voorbereiden, wordt echter niet door iedereen gedeeld. De moleculair bioloog Peter Borger publiceerde in april jl. een artikel waarin hij concludeert dat we niet te maken hebben met een nieuw virus, maar met een nieuwe, minder dodelijke variant van SARS. Ook brengt hij het feit onder de aandacht dat meerdere wetenschappers sinds 2003 hebben gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat zich een nieuwe uitbraak voor zou doen van SARS-CoV1 of een virus dat daarop lijkt.

Borger geeft in zijn artikel verscheidene onderbouwingen voor zijn stelling dat we te maken hebben met een nieuwe variant van SARS:

  1. De symptomen van SARS en COVID-19 zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Gebaseerd op symptomen alleen zou een arts niet kunnen vaststellen of een patiënt geïnfecteerd is met SARS-CoV1 of SARS-CoV2.
  2. Een studie uit maart 2020 toont aan dat het nieuwe coronavirus voor 96,11% hetzelfde genetische materiaal bevat als een specifieke variant van SARS.
  3. SARS-CoV1 en SARS-CoV2 infecteren mensen op dezelfde manier (ze gebruiken dezelfde receptor om een cel binnen te dringen).
  4. Zowel SARS als COVID-19 zijn goed te behandelen met chloroquine (een bekend medicijn tegen malaria).
  5. Een specifiek eiwit dat in het genetisch materiaal van het SARS-CoV1 virus niet voorkwam, ontbreekt ook in SARS-CoV2.
  6. Een gedeelte van een specifiek eiwit waarvan gezegd werd dat het alleen voorkwam in SARS-CoV1, komt in bijna identieke vorm ook voor in SARS-CoV2.

Onderzoek toont aan dat virussen in het algemeen na verloop van tijd afzwakken. Dat komt doordat virussen muteren (veranderen). RNA virussen, waaronder coronavirussen vallen, muteren erg snel en worden dan over het algemeen minder dodelijk, maar wel besmettelijker. COVID-19 is inderdaad aanzienlijk minder dodelijk dan SARS, dat een sterftecijfer kende van 9-10%. Wel is het – geheel naar verwachting dus – een stuk besmettelijker.

Het artikel van Borger laat nog een ander opvallend feit zien, namelijk dat wetenschappelijk onderzoek naar SARS-CoV in 2008 lijkt te zijn stopgezet. Na 2008 werden er geen studies meer gepubliceerd naar de biologie van en medicatie tegen SARS-CoV1. Wel zijn er in respectievelijk 2013 en 2015 artikelen gepubliceerd waarin gewaarschuwd werd voor het gevaar dat een (nieuw) coronavirus oorspronkelijk afkomstig van vleermuizen een pandemie zou kunnen veroorzaken. Borger stelt de terechte vraag waarom op deze waarschuwingen nooit gereageerd is. Ondanks het feit dat de epidemieën van 2003 en 2012 veel doden veroorzaakt hebben, is er nooit geïnvesteerd in het ontwikkelen van een behandeling of een vaccin.

Het is op zijn zachtst gezegd opvallend te noemen dat er in de zestien jaar sinds de uitbraak van SARS-CoV1 geen enkele poging is gedaan om voorbereidingen te treffen voor een nieuwe uitbraak van een soortgelijk virus. De benodigde kennis was ruimschoots beschikbaar, maar de WHO heeft in al die jaren met geen woord gerept over SARS-virussen. In Nederland is de afgelopen jaren onder leiding van minister-president Rutte flink gesneden in de zorg; vlak voor de beëdiging van kabinet Rutte III kondigde de coalitie nog aan voor 2021 bijna 2 miljard te willen bezuinigen (Bron). Gezien het feit dat de ontoereikende zorgcapaciteit met regelmaat wordt aangevoerd als reden waarom mensen akkoord zouden moeten gaan met draconische maatregelen, is het extra wrang te bedenken dat men zich uitstekend had kunnen voorbereiden op een crisis zoals deze. Ook vindt team Doe Zelf Normaal het niet geloofwaardig dat niemand die werkzaam is bij de WHO ooit in aanraking is gekomen met de eerder genoemde artikelen waarin werd gewaarschuwd voor de situatie waarin wij ons nu bevinden. Dit leidt ertoe dat wij ons ernstig afvragen of er soms een andere motivatie is voor het negeren van dergelijk onderzoek. Vast staat wat ons betreft dat de WHO en onze overheden de morele plicht hebben om zich hierover nader te verklaren.