Column

Horeca

“Sorry meneer, maar wilt u misschien uw gegevens noteren?”

De man draait zich om. Ik zie hem twijfelen. Maar hij zegt niets, neemt de pen van me over, en doet wat ik vraag. In stilte hoop ik dat hij niet zijn echte gegevens opschrijft, maar dat zeg ik natuurlijk niet. Hij neemt plaats. Ik breng hem een biertje van de tap. Mijn bril beslaat; ik draag een mondkapje. Hij kijkt me meewarig aan. «Dit is vast geen makkelijke tijd voor jullie, of wel?» Ik twijfel. Dit is geenszins de eerste keer dat ik deze vraag krijg, en elke keer weer vind ik het lastig hem te beantwoorden. «Nee meneer, dat is het zeker niet,» zeg ik uiteindelijk.

Ik wandel terug naar mijn bar. Ik spoel wat glazen, neem een plank af. Een paar minuten lang sta ik daar met in mijn handen de fles Jack Daniels die ik voor aanvang van mijn dienst uit de voorraadkast gepakt heb. Ik zal niet meer in dienst zijn wanneer hij leeg is. Plotseling maakt die fles me erg verdrietig. Ik zet hem haastig terug.

Het lijkt natuurlijk erg belachelijk om emotioneel te worden over een fles whiskey. Maar iedereen die mij goed kent, weet hoeveel ik hield van de horeca. Het is mij om uiteenlopende redenen nooit gelukt een studie af te maken, en de horeca is de plek waar ik mij realiseerde dat dat misschien toch niet zo erg was als ik had gedacht. Voor het eerst ging ik naar mijn werk zonder er tegenop te zien. Voor het eerst had ik leuk contact met mijn collega’s. Ik kon mijn energie kwijt. Het feit dat ik een avondmens ben was ineens een voordeel, in plaats van een reden voor mensen om te zeggen dat ik «gewoon lui» was. Ik heb de leukste gesprekken gevoerd met volslagen vreemden. Ik heb mensen zien trouwen. Ik ben geknuffeld door oude mensen omdat ze zo gelukkig waren met hun jubileumfeest. Ik heb ontelbare sluitdrankjes gedaan met leuke, lieve mensen met wie ik oneindig veel meer gemeen had dan met de mensen die ik kende op de universiteit. Ik heb meer liefde gezien en ervaren in de horeca dan waar dan ook. Het was een geweldige tijd, maar het is voorbij.

 

In mijn ontslagbrief schreef ik dat ik niet langer de tijd heb om in de bediening te werken. Dat is waar, maar niet de volledige reden waarom ik hier vanavond voor de laatste keer sta. De waarheid is dat ik al ruim een half jaar afscheid aan het nemen ben van de horeca zoals ik die kende. Begin maart, vlak voordat de wereld veranderde, nam ik twee weken vakantie om mijn broertje op Aruba te bezoeken. Ik vertrok zonder me te realiseren dat het de laatste keer was dat het normaal had gevoeld. Na thuiskomst heb ik nog één dienst gewerkt, op 15 maart. Die dienst eindigde na twee uur, toen de horeca abrupt haar deuren moest sluiten. Geshockeerd stond ik buiten met mijn collega’s. We hadden nog geen idee.

Ik was blij toen ik na drie maanden weer mocht werken, maar bij mijn eerste dienst wist ik diep van binnen al dat het niet hetzelfde was. De spontaniteit en de onbevangen sfeer keerden niet terug. Toch heb ik lang doorgewerkt, omdat ik tegen beter weten in hoopte dat het beter zou worden, en omdat ik mijn collega’s, om wie ik veel geef, niet in de steek wilde laten. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die niet begrijpen waarom iemand die zoveel van de horeca houdt, het zou verlaten. Maar dat ik van de horeca houd, is juist de reden waarom ik voelde dat ik niet anders kon dan ontslag nemen.

Ik kan mensen niet verplichten hun handen te ontsmetten met handgel die een paar jaar geleden nog door artsen werd weggezet als ongezond. Ik kan niet tegen hen zeggen dat ze elkaar niet mogen aanraken. Ik kan geen familiefeesten verpesten door de gasten van elkaar te scheiden, en ze te verbieden van hun stoel op te staan. Ik kan geen mondkapje dragen waarvan ik weet dat het niets anders is dan een politiek spel. Ik kan deze dingen niet doen en mezelf recht in de spiegel aankijken. Ik houd van de horeca, en ik kan niet helpen het kapot te maken. Zelfs niet wanneer het bedrijf vrijwillig meewerkt, en dan ook nog met iets dat – onbegrijpelijk – lijkt op enthousiasme.

Ik zie de ontzieling van de horeca als een parallel voor de ontzieling van de samenleving als geheel, en ik kan en wil er niet aan meewerken. Dat betekent niet dat ik geen steen in mijn maag voel wanneer mijn enige gast de deur uit loopt. Ik zet mijn mondkapje af, maar het lucht niet zo op als ik had gehoopt.

Column

Waarom ben je toch zo dwars?

Ik heb een speciale relatie met deze vraag. Hij werd, en wordt, mij vanaf mijn kindertijd al met grote regelmaat gesteld. Waarom kon ik niet gewoon stil op mijn stoel zitten? Waarom kon ik mij niet gewoon ontwikkelen op hetzelfde tempo als andere kinderen? Waarom wilde ik dat eeuwige boek niet wegleggen? Waarom had ik niet gewoon normale interesses? Waarom moest ik mij anders kleden dan mijn leeftijdsgenoten en naar “rare” muziek luisteren? Waarom stelde ik moeilijke vragen? Waarom wilde ik uit alle macht van alles de achterliggende reden kennen? Waarom kon ik niet gewoon een studie afmaken? Waarom heb ik niet gewoon een kantoorbaan?

Anno 2020 is de formulering van de vraag enigszins anders. Waarom kan ik niet gewoon het coronabeleid volgen zonder vragen te stellen? Waarom draag ik niet gewoon een mondkapje? Waarom ga ik naar een verboden demonstratie? Waarom spreek ik wantrouwen uit jegens de staat en de media? Geeft het mij soms een kick om overal tegenaan te schoppen? Waarom kan ik niet gewoon een keer doen wat mij wordt opgedragen?

 

Ironisch genoeg zullen de mensen die mij deze vragen stellen, waarschijnlijk nooit beseffen dat zij zelf de aanstichters zijn van mijn – in hun ogen –  opstandige gedrag. Het is namelijk door dit type vragen dat ik mij al op zeer jonge leeftijd realiseerde dat er in deze maatschappij een “juiste” manier bestaat om te leven, te communiceren, te bestaan, en logischerwijs dus ook een “onjuiste.” Leef, communiceer, of besta je op de “verkeerde” manier, dan zal de meerderheid dit gedrag afstraffen. Pas je je dan nog niet aan, dan loop je het risico nergens bij te horen, een gedachte die veel mensen absoluut niet kunnen verkroppen. Deze vorm van sociale controle heeft op mij nooit bijzonder veel effect gehad, maar het herkennen van dit patroon leidde mij wel tot het stellen van de volgende vraag: wie bepaalt wat de “juiste” manier is?

Mijns inziens luidt het antwoord op deze vraag (op dit moment, maar eigenlijk, stiekem, al eeuwen) als volgt: de staat bepaalt wat de “juiste” manier van leven is. Momenteel betekent dit dat je geacht wordt alle regels omtrent het coronavirus na te leven en vooral geen kritische vragen te stellen. Doe je dit niet, dan word je tot de orde geroepen door de meerderheid; mensen die meestal geen idee hebben wie jij bent, maar je wel met stellige overtuiging vertellen dat jij persoonlijk verantwoordelijk bent voor het leven van hun bejaarde oma. Kritiek op het huidige beleid wordt beantwoord met fysieke en verbale agressie, gecensureerd door “objectieve” factcheckers, en belachelijk gemaakt door middel van opmerkingen over aluminium hoedjes. Er is slechts een juiste mening,  en daarover is geen enkele vorm van discussie mogelijk. Wie de discussie toch aangaat, wordt uitgesloten en de mond gesnoerd.

 

Het was juist mijn gevoel van herkenning bij dit patroon dat ervoor zorgde dat ik de situatie rondom het nieuwe coronavirus begon te wantrouwen. Er bekroop mij een onbehaaglijk gevoel; waarom mocht ik geen vragen stellen? Waarom mocht ik geen kritiek hebben? Waarom behoorde het wensen van duidelijke, objectieve informatie plotseling tot de categorie “onjuist” gedrag?

Veel mensen die er rondom de coronacrisis wel de “juiste” mening op na houden, wijzen mij erop dat de maatregelen in Nederland minder streng zijn dan in sommige andere landen, en dat wij officieel nooit in lockdown zijn geweest. De realiteit is echter dat de staat haar burgers niet hoeft te onderdrukken wanneer de burgers deze taak zelf op zich nemen. Wanneer wij elkaar belerend terechtwijzen, belachelijk maken, en sociaal en/of economisch buitensluiten, nemen wij de staat een taak uit handen die zij eigenlijk helemaal niet hoort uit te voeren. Er is echter een ding waar onvoldoende rekening mee lijkt te zijn gehouden: het feit dat deze vorm van manipulatie niet bij iedereen effectief is.

 

Ik ben namelijk dwars, remember? Waarom ben ik toch zo dwars? Ja, waarom eigenlijk?

Ik ben dwars omdat ik een slechte leugenaar ben, en ik trots ben op die eigenschap.

 

Ik ben dwars omdat ik geloof dat objectieve waarheid bestaat, ondanks het postmoderne relativisme waarvan de gehele samenleving doordrenkt is, en omdat het mijn overtuiging is dat wij recht hebben op die waarheid.

 

Ik ben dwars omdat ik het recht om mijn moeder te knuffelen pas over mijn lijk op zal geven.

Waarom ben j toch zo dwars?

Ik ben dwars omdat ik nu de leeftijd heb waarop mijn beste vrienden gezinnen beginnen te stichten, en ik huiver bij het idee dat zij hun kinderen moeten grootbrengen onder deze omstandigheden.

 

Ik ben dwars omdat ik mij ervan bewust ben wat het resultaat kan zijn wanneer mensen hun grondrechten opgeven.

 

Ik ben dwars omdat ik besef dat de verantwoordelijkheid voor de wereld waarin ik leef, bij mij ligt. Bij mij, bij jou, bij iedereen die ook maar iets om de toekomst geeft. In de loop der jaren lijken mensen te hebben vergeten dat de wereld gemaakt wordt door hen die erin leven, en niet door hen die in de waan verkeren dat zij erboven staan.

 

Nee, het maakt mij niet uit dat het grootste gedeelte van mijn leeftijdsgenoten hun verantwoordelijkheid niet nemen, en denken dat het laatste schroefje bij mij is losgeraakt. Het maakt mij niet uit hoeveel haatberichten ik nog zal ontvangen. Het maakt mij niet uit dat ik de meerderheid tegen mij in het harnas jaag. Ik kan niet gemanipuleerd worden met het dreigement van uitsluiting op welke manier dan ook. Ik ken deze truc al sinds ik zes jaar oud was, en ik ben dwars omdat ik hem al even lang doorzie.

Jade, Team Doe Zelf Normaal.

 

 

Column

Er was eens een klein en dapper landje op het Noordelijk halfrond.

Dat landje hield zich al eeuwen staande, ondanks dat het meters onder de zeespiegel lag. Wind en golven beukten op haar kusten, maar het dappere volkje wist die golven steeds weer met succes te bedwingen.

Het landje was onafhankelijk, en liet zich door niemand de les lezen. Sterker nog, het landje hief zelf herhaaldelijk het vingertje op naar andere landen wereldwijd.

Eeuwen gingen zo voorbij, en het landje ontwikkelde zich zelfs tot een heuse democratie. Het volkje van het landje mocht niet teveel invloed hebben, maar daar werd onder opeenvolgende regeringen keurig voor gezorgd.

In de 20e eeuw stond er even een politiek partijtje op die het volkje meer zeggenschap wilde geven. Maar na enkele tientallen jaren tegen de bierkaai gevochten te hebben gaf dat partijtje de pijp aan Maarten. De oprichter van het partijtje was dood, dus er kraaide geen haan naar.

Het landje was rijk en welvarend. Zieke en werkloze mensen kregen geld, net genoeg om niet dood te gaan van de honger. Want dat stimuleerde mensen om zelf centjes te verdienen, was de gedachte van vooral de liberale politieke partij van het landje.

Een hele tijd ging het steeds beter. De grote bedrijven in het landje werden steeds groter en rijker, en betaalden haast geen belasting. Er was zelfs een grote oliemaatschappij die geld toe kreeg van de belasting! Dat kon de regering van het landje doen door de kleinere bedrijfjes uit te knijpen, en te overspoelen met regeltjes.

Soms protesteerden die bedrijfjes daar tegen, in de krant en op het journaal, maar dat hielp niet. Wat konden ze immers doen? De grote bedrijven waren de baas, want die deelden een deel van hun centjes met mensen van de regering, zodat die precies deden wat zij wilden.

Maar bijna iedereen kon brood kopen, en op vakantie en in een auto rijden, dus het volkje was tevreden.

Op een dag won de partij die vriendjes was met de grote bedrijven de verkiezingen. Na enkele jaren kreeg die partij een nieuwe leider. De voorgaande leiders zagen nooit kans de baas van het land te worden, dus hadden ze een nieuwe leider nodig. De nieuwe leider was een mannetje dat altijd op personeelszaken van een groot bedrijf gewerkt had. Daar had hij geleerd dat je het personeel heel makkelijk aan het lijntje kon houden door ze van alles te beloven, en daarna gewoon te ontkennen dat je het beloofd had. En je kwam er altijd mee weg, als je maar steeds bleef schaterlachen! Zo simpel! En wanneer ze toch boos bleven, dreigde je lachend om hun salaris in te houden, of ze op straat te zetten!

Zou dat ook werken met het volk van dat landje? Laten we het gewoon proberen, zeiden ze tegen elkaar. En ze namen er een goed glas wijn op, want dat was de hobby van die partij: dure wijn drinken en  dikke, dure sigaren roken! Dat kon makkelijk met dat geld van die grote bedrijven. En nu zouden ze nog rijker worden!

De nieuwe leider ging vol goede moed aan de slag. En het ging verbazend goed! Hij lachte zich door alle leugens heen. Van dividendbelasting tot dode burgers in Irak.

Hij keek veel naar Bassie en Adriaan, een leuke serie over een clown en een acrobaat. Hij leerde daar zóveel van! Altijd blijven lachen, zei Bassie de clown steeds, wat er ook gebeurt!

Wanneer hij toch eens betrapt werd op een leugen, vertelde hij schaterlachend aan het volkje dat hij het écht niet zo bedoeld had. En tot zijn eigen stomme verbazing trapten ze er in! Ook de partijtjes die ‘oppositie’ genoemd werden, trapten erin. Soms werden ze een beetje boos, en riepen ze tegen hem: doe eens normaal! Wanneer hij dan schaterlachend ‘doe zelf normaal’ terugriep, was alles weer goed! Geniaal die clown Bassie!

Op een dag kwam er een heel eng bericht binnen. Er was een beestje, een virus noemden ze dat, illegaal uit een oosters land de grens overgestoken. Als je dat beestje inademde ging je hoesten, net als van een dikke sigaar. Je kreeg dan ook een snottebel, en je ging niezen, net alsof je aan contant geld rook; daar had  hij ook zo’n hekel aan.

Maar al snel stelden  de wereldbazen die dikke sigaren en dure wijn kochten met geld dat ze kregen van medicijnbedrijven hem gerust: het beestje, daar ging je alleen dood aan als je oud en ziek was. Kwam dat even goed uit! Die oude en zieke mensen wilde hij al lang vanaf! Die wilden geld van de regering zonder dat ze er iets voor deden!

Het was hem gelukkig wel gelukt om ze tot op steeds hogere leeftijd zelf hun schamele loontje bij elkaar te laten schrapen, maar ze kostten hem nog steeds heel wat dure wijn en dikke sigaren elk jaar!

Maar gelukkig was dat beestje voor hem niet zo gevaarlijk, dus over tot de orde van de dag.

Nee joh, zeiden de gezondheids-wereld-bazen. Dit is een kans! Het volkje is zich kapot geschrokken! Ze zijn bang! Wanneer je zorgt dat ze bang blijven, net als dat personeel van dat bedrijf waar je eerst werkte, doen ze precies wat je zegt.

Zou dat werken, vroeg hij zich af?

Schaterlachend ging hij aan de slag. Hij vertelde spookverhalen over het beestje, dat je allemaal binnen moest blijven, en bij niemand in de buurt mocht komen, want dan zou het beestje overspringen. Geweldig! Het volkje sprong op straat van angst voor elkaar opzij!

En alle cafés en restaurants moesten dicht, want daar sprong het beestje van je bierglas op je bord en zo naar de andere tafels om je heen! Afschuwelijk! Het voordeel was dat die bedrijfjes één voor één failliet gingen! Want wat moet je met die minibedrijfjes wanneer je grote bedrijven hebt die wijn en sigaren voor je kopen?

En het goedgelovige volkje geloofde het! Sterker nog, ze wilden nog strengere regels! Nou, die konden ze krijgen. Hij verbood ze gewoon hun opa’s en oma’s nog te bezoeken in die huizen waar oude mensen in dat landje werden opgeborgen. Geniaal! Nu gingen ze nog sneller dood! De dure wijn stroomde rijkelijk en de dikke sigaren hadden nog nooit zo lekker gerookt!

Maar na een paar maanden ging het volkje zich slechter aan de regels houden. Ze kwamen te dicht bij elkaar. En van zijn oude mamma waar hij zo gek op was had hij geleerd dat er kindjes komen van te dicht bij elkaar zijn. En de grote gezondheidsbazen van de wereld wilden dat niet! Er moesten véél minder mensen zijn! Die mensen kosten alleen maar geld, dus weg ermee!

Daarom had hij geen broertjes en zusjes. Mamma was één keer te dicht bij een man gekomen, daarom was hij er nu. Volgens mamma kwam hij lachend ter wereld!

Om te zorgen dat het volkje zich beter aan de regels zou houden, beloofde hij het volkje dat ze weer naar het café mochten wanneer ze nog éven volhielden. Dat deed mamma ook altijd, dingen beloven. Meestal kwam ze haar beloften niet na, dat had hij van haar geleerd, maar heel soms wel.

En na een aantal maanden was het zover. Jullie mogen weer naar het café, zei hij. Maar niet op een barkruk. Aan tafel. En niet te dicht bij elkaar, want dan springt het beestje over. En het volkje juichte!

Maar na een maand was het volkje weer ontevreden, want de gezondheidsbazen zeiden dat weer steeds meer mensen het beestje hadden ingeademd. Maar ze merkten er niets van. Ze hadden geen snottebel, ze hoestten niet en niesten niet. Maar het beestje was er wel zeiden de bazen.

De kranten, die al jaren steeds minder abonnees hadden, werden steeds beter gelezen wanneer ze de verhalen nog enger maakten. En zo werd het volkje steeds banger.

En de leider kreeg steeds meer fans! Het volkje was gek op hem. Ook de kranten, die hem een half jaar eerder, voor het beestje kwam, nog een leugenaar noemden, vonden hem een geweldige leider!

Maar hoe kreeg je het volkje nu weer tevreden, en nóg banger? Heel simpel, zeiden de gezondheidsbazen. Vertel ze dat iedereen die een snottebel heeft, of niest, een test moet ondergaan. Ook als je in de buurt van een hoester of niezer bent geweest, moet je getest worden. Een test die vertelt of ze het beestje hebben ingeademd.

Maar haast niemand heeft het beestje toch, vroeg de leider? Nee joh, maar we vertellen ze gewoon dat ze het hebben. Dat controleert toch niemand! En iedereen die zegt dat je liegt, noem je een complotdenker.

En als ze nou willen demonstreren, vroeg de leider? Hij had dat wel eens in verre landen op de TV gezien. Brrrr! Eng hoor! Dan stuur je de politie erop af, en noem je ze doorgesnoven hooligans, zeiden de bazen.

En je belooft ze dat er een injectiespuitje gemaakt wordt met een goedje erin dat ervoor zorgt dat het beestje voor altijd dood blijft en nooit meer terugkomt. We stoppen stiekem van alles in dat spuitje, zodat er steeds minder oude mensen bij komen. Dan kunnen wij nóg duurdere wijn drinken en nog dikkere sigaren roken.

En zo geschiedde.

En tot op de dag van vandaag gelooft het volkje al de leugens van de leider.

En ze leefden nog lang en…. Of toch niet?

Het volkje begint langzaam moe te worden van al dat geschaterlach. Steeds meer mensen zijn bang dat het nooit meer normaal wordt, zoals voorheen. Ze schrijven dat op internet, waar het vaak snel weer wordt weggehaald in opdracht van de gezondheidsbazen.

En de leider ziet dat, en lacht steeds minder. Soms verlangt hij terug naar de tijd dat hij het personeel nog aan het pesten was. Maar de gezondheidsbazen zeggen dat er geen weg terug is. Dat hij door moet gaan.

En stiekem vindt hij het eigenlijk best leuk: éénrichtingsverkeer in winkelstraten, mondkapjes in vliegtuigen, overal stickers dat je niet dicht bij elkaar mag zijn.

En dan dat domme volkje.  Laatst had hij wat leuks verzonnen. Je mag wel dicht bij elkaar in de auto naar het restaurant rijden, maar in het restaurant moet je weer ver van elkaar af zitten.

En je mag wél naar een prostituee, maar je mag je vriendje of vriendinnetje met wie al jaren naar bed gaat maar met wie je niet samenwoont, niet meer kussen, laat staan bij elkaar slapen!

Hij zei het gewoon, voor de TV, en iedereen vond het prima.

Iedereen? Nee. Niet iedereen. Steeds meer mensen van het volkje geloofden de lachende leider niet meer. Iedere dag kwamen er meer van die mensen bij.

 

Kom jij er ook bij? Dan zal het lachen de leider al snel vergaan.

 

Pedro, Team Doe Zelf Normaal.