Mogen we jullie hulp vragen?

Voor het dekken van juridische en andere kosten hebben we jullie hulp nodig!  Doneer een zelf gekozen bedrag aan Doe Zelf Normaal! Elk bedrag, hoe klein ook, is welkom! Heel veel dank!

Ja, ik doneer!

Eigen schuld: hadden ze daar maar niet moeten gaan staan!

“Ze hadden daar niet moeten zijn. Ze hadden geen vergunning. Ze gingen niet snel genoeg weg. Ze hielden zich niet aan de coronaregels.”

Ik zal eerlijk toegeven dat ik communiceren met andere mensen niet altijd gemakkelijk vind. Sinds ik – voor het eerst in mijn leven – een redelijk groot platform heb op sociale media, is dat gevoel niet bepaald verminderd. Natuurlijk besef ik wel dat andere mensen niet altijd dezelfde dingen logisch zullen vinden als ik. Natuurlijk weet ik dat ieders denkpatronen beïnvloed worden door ervaringen en omstandigheden. Maar wanneer ik bovenstaande reacties lees op beelden van geweldloze mensen die met buitensporig en onnodig geweld worden mishandeld door politie en ME, kost het mij toch moeite om mij voor te stellen dat iemand zo’n reactie logisch vindt.

Ik had mijn eerste kop koffie nog niet op toen ik afgelopen zondag de eerste beelden van het Malieveld op mijn scherm kreeg. Ik had een nachtdienst gewerkt en was tegen vieren pas wakker geworden. De toon voor die dag was meteen gezet. Toen ik zo’n zestien uur later terug naar bed ging, spookten de beelden nog door mijn hoofd.

Uiteraard had heel Nederland een mening over de gebeurtenissen op het Malieveld. En waar een geruststellend aantal mensen het geweld expliciet veroordeelden, kwam ik ook veel reacties tegen van mensen die het volledig gerechtvaardigd vonden. Immers – de demonstranten hadden daar niet moeten zijn, en bovendien hielden ze zich niet aan “de regels.”

Kwaad word ik de laatste tijd niet meer. Althans, niet op deze mensen. De overheid, de verantwoordelijke minister, de agenten die hier willens en wetens en met genoegdoening aan meewerken – dat is een ander verhaal. Maar mensen die oprecht geen probleem lijken te zien met het mishandelen van demonstranten die oprechte zorgen hebben over de staat van onze democratie, die roepen tegenwoordig vooral vragen bij mij op.

Ik vraag me bijvoorbeeld af of deze mensen zich bewust zijn van het bestaan van de Politiewet. In artikel 7 van deze wet wordt gesteld dat de politie geweld en vrijheidsbeperkende middelen mag gebruiken, “wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.” Ik vraag mij af of deze mensen het niet zorgelijk vinden dat onze politie geen andere manier weet te verzinnen om mensen van het Malieveld te doen vertrekken dan ze met honden en stokken tegen de grond te werken of omver te rijden met busjes. Ik vraag mij af of ze weten dat de Politiewet bovendien nog specificeert dat eventueel geweld of vrijheidsbeperkende bemiddelen “in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd dienen te zijn.” Zelfs wanneer we aannemen dat het opbreken van deze demonstratie geoorloofd was (ook al was er op de Koekamp op hetzelfde moment een klimaatdemonstratie gaande die door de politie met rust werd gelaten), blijft er op zijn zachtst gezegd twijfel bestaan over de vraag of dat doel niet op een andere manier bereikt had kunnen worden. Ook is het gebruikte geweld geenszins redelijk of gematigd te noemen.

Het argument dat de coronaregels niet werden nageleefd, roept eveneens vragen op. Is het logisch of redelijk om van demonstranten te verwachten dat zij mondkapjes dragen en angstvallig afstand van elkaar houden, wanneer het juist deze regels zijn waartegen zij demonstreren? Deze redenering doet mij sterk denken aan de logica van mensen die het niet paradoxaal vinden dat men geacht wordt toestemming van de overheid te vragen om te mogen demonstreren tegen diezelfde overheid. Zien zij die dit geweld geoorloofd vinden niet in dat grondrechten op deze manier niet werkelijk grondrechten te noemen zijn? Begrijpen ze niet dat deze situatie ook buiten de context van “coronademonstraties” zeer gevaarlijk is? Nu is het misschien een groep mensen met wie zij het oneens zijn die het moet ontgelden, maar wie kan garanderen dat zij nooit in hun leven deel zullen uitmaken van een groep die de overheid onwelgevallig is? Zouden ze bij hun standpunt blijven als het hun bebloede gezichten waren die all over internet te zien zijn? Als het hun denkbeelden waren die zonder logische onderbouwing worden geframed als onwetenschappelijk en gevaarlijk? Als zij degenen waren over wie gesproken wordt als “virussen die bestreden moeten worden”?

Meer dan dit alles vraag ik me af hoe een emotioneel gezond persoon naar de beelden van afgelopen zondag kan kijken en voldoening kan voelen. Ik zie de foto’s en video’s van bange en gewonde mensen, en weet dat er mensen zijn die mij hetzelfde toewensen. Dat is geen gevoel dat ik herken. Ondanks het feit dat ik weet dat ze mij mijn rechten misgunnen en vreselijke dingen zeggen over hen die denken zoals ik, wens ik deze mensen geen geweld of andere tegenspoed toe. Ik voel vooral verdriet en ontzetting, en ik weet vrij zeker dat ik dat altijd zou voelen, ongeacht de politieke en maatschappelijke denkbeelden van degene die mishandeld wordt.
Ik ben het pertinent oneens met voorstanders van het coronabeleid van de overheid. Het druist in tegen al mijn principes, raakt fundamenteel aan alles wat het volgens mij betekent om mens te zijn. Het zuigt de ziel uit de samenleving en heeft van mijn oude leven, dat ik fijn vond en waarvoor ik dankbaar was, geen spaan heel gelaten. En toch; als deze mensen zouden willen demonstreren vóór het coronabeleid, zou ik hun recht daartoe verdedigen en geweld tegen hen veroordelen. Omdat echte principes niet onderhevig zijn aan omstandigheden, en grondrechten dat ook niet zouden moeten zijn.

Op weg naar een totalitaire staat [1]

 

Ik ben geboren in de jaren 60. Ik woonde met mijn broers en ouders in een eenvoudige flat in Den Haag.

De verzorgingsstaat stond in bloei. Wanneer je geen werk had of ziek was kreeg je een uitkering.

Zo hobbelde Nederland verder en verder en op de gebruikelijke politieke problemen na was er weinig aan de hand.

We waren vrij om bijna alles te zeggen wat we wilden, ook wanneer dat tegen de mainstream mening in ging. In die tijd waren de kranten nog kritisch, afhankelijk van tot welke ‘zuil’ de krant behoorde. Censuur was uit den boze.

Op de Dam in Amsterdam lagen en stonden hippies, in die tijd ‘langharig tuig’ genoemd. Maar eigenlijk vonden de meeste mensen ze stiekem wel leuk.

De politie was toen nog je beste vriend. Dus wat had ik te vrezen?

Ik groeide op, en had weinig tot geen last van wat er in Den Haag besloten werd.

Ik zag wel dat we rond de eeuwwisseling in hoog tempo aan het digitaliseren waren. Bestanden van overheidsinstanties zoals het UWV en de belastingdienst werden gekoppeld, wat uiteindelijk resulteerde in een DigiD voor alle Nederlanders. Al je gegevens waren uiteindelijk inzichtelijk via Mijn Overheid.

In de jaren 90 verschenen er regelmatig ‘Postbus 51-spotjes’ op TV. Dat waren reclamespotjes van de overheid, waarin mensen bijvoorbeeld werden aangemoedigd om de vrijwillige griepprik te halen.

In 1994 deed de identificatieplicht haar intrede. Ook daar was een spotje over.

Ik had daar allemaal weinig last van. Zolang de besluiten en ontwikkelingen in Den Haag mij niet raakten, zou het mijn tijd wel duren. Ik verdiende mijn inkomen als zelfstandig ondernemer. Dan was de belasting weer eens iets hoger, dan weer lager. Dan weer mocht je 100 rijden op de snelweg, toen 120, en daarna zelfs 130. Het raakte mij allemaal niet echt.

Als Nederlander had ik mijn rechten. Nederland was zo slecht nog niet. Eigenlijk was Nederland een geweldig land om te leven. Dat de overheid zo’n beetje alles van me wist zag ik wel, maar deerde me niet echt. Ik had immers niets te verbergen.

Zo werd ik in slaap gesust. Ik was naïef.

Om in maart van dit jaar met een schok wakker te worden.

Alles wat voorheen zo vanzelfsprekend leek, werd ons in hoog tempo afgenomen. De grondrechten die mij altijd gerust hadden gesteld, telden niet meer.

Van de ‘intelligente lockdown’ rolden we naar versoepeling van de maatregelen, om twee weken geleden met een schok tot stilstand te komen in “Nederland op slot”, zoals Mark Rutte het streng afkondigde.

De Nederlanders volgen overwegend braaf de maatregelen van de overheid: mondkapjes, 1,5 meter afstand, quarantaine, ook als je gezond bent, thuis werken, je buren verraden wanneer ze kerst met meer dan 3 mensen vieren.

Wanneer je op sociale media een mening geeft die tegen de opvattingen van de WHO en onze overheid ingaat, wordt je bericht verwijderd er ben je een complotdenker.  Censuur is heel gewoon geworden, en word nu ‘verwijdering van nepnieuws’ genoemd.

Mensenrechten worden opzij gezet, de massamedia haken braaf aan en stigmatiseren ‘andersdenkenden’.

De vrijheid van godsdienst wordt door de regering (nog) met de mond beleden, maar gelovigen en kerken die nog fysiek samenkomen moeten volgens Minister Grapperhaus, onze minister van ‘veiligheid en justitie’, ‘verantwoording afleggen aan God’.

 Fotografen liggen in de bosjes de kerkgangers te bespioneren.

‘Blijf thuis’ is het motto. De slogan ‘we doen het samen’ moet een vals gevoel van eenheid geven.

Het enige wat we samen doen, is de regering helpen van Nederland een fascistische en totalitaire staat te maken, waarin niet-gevaccineerden straks een negatieve testuitslag moeten kunnen tonen om een ziekenhuis of concert te kunnen bezoeken, zeer waarschijnlijk als opmaat naar een totale vaccinatieplicht.

Naïef ben ik intussen al lang niet meer.

Elke vezel in mijn lichaam, elke nog niet door een vaccinatie gemanipuleerd gen verzet mij tegen de terreur die de overheid over mij uitstort.

De Postbus 51-spotjes zijn inmiddels vervangen door een mantra van propaganda op radio, TV, matrixborden boven de snelweg en posters bij bushaltes, waarin we worden opgeroepen ons bij elke druppel aan onze neus te laten testen met een frauduleuze PCR-test, en ons als goed voornemen voor 2021 naar de GGD of huisarts te spoeden voor een injectie met een vaccin wat in amper 9 maanden uit het Pfizer-lab is gestampt.

Bijwerkingen? Pfizer en de rest van de big pharma heeft vrijstelling gekregen van de gevolgen die de gifspuiten op jouw en mijn lichaam hebben.

Intussen ben ik wakker. Sterker nog: ik kán niet meer slapen.

Dit is de wereld waar mijn kinderen in op moeten groeien. Leun ik achterover? Like hell  I will!

Samen met mijn dochter heb ik de Buiten Parlementaire Onderzoeks Commissie (www.bpoc2020.nl) opgericht.

Middels het horen van een groot aantal artsen, virologen, pschychiaters, immunologen en tal van andere wetenschappers, gaan we de nu nog slapende  Nederlanders laten zien dat ze straks wakker worden in een totalitaire staat waarin de politie al lang je beste vriend niet meer is.

Docenten, leerlingen, ouders en ondernemers hebben in soms emotionele betogen hun verklaring afgelegd over hoe zij zich onderdrukt weten door deze zich ‘regering’ noemende charlatans.

De BPOC2020 maakt een document wat Nederland op de grondvesten zal doen schudden. Dát is ons goede voornemen voor 2021.

Laten we hopen dat het torentje en het Binnenhof zo hard mee schudden dat Rutte en de zijnen struikelen en het op een lopen zetten naar de plaats waar ze thuis horen: het Staatshotel in Scheveningen.

Alleen in een cel, om ‘besmetting’ te voorkomen.

 

Wilt u het goede voornemen van de BPOC2020 steunen? Doneer dan via https://www.ing.nl/particulier/betaalverzoek/index.html?trxid=qhqoIVvpQ6RXAUSN0cqsBzx8pgRvgQxZ

 

Samen zetten wij ons in voor de vrijheid van ons en onze kinderen, óók in 2021!

Drs. P. (Pieter) Kuit.

[1] Bij totalitarisme wordt de heersende ideologie in een totalitaire staat gepropageerd als de enig mogelijke weg naar een betere toekomst. Het is een systeem waarbij de staat bijna volledige controle heeft op het dagelijks leven van mensen, zowel in politiek, cultureel, filosofisch, godsdienstig als in sociaal en economisch opzicht. Eén en ander moet worden onderscheiden van autoritarisme. Autoritaire stelsels zijn stelsels waarbij de overheid geen of weinig politieke vrijheid toelaat, en er meestal geen (echte) vrije verkiezingen zijn. Maar in een dergelijke staat kan het zijn dat andere terreinen van maatschappelijk leven niet worden gereguleerd door de overheid.

Column

Horeca

“Sorry meneer, maar wilt u misschien uw gegevens noteren?”

De man draait zich om. Ik zie hem twijfelen. Maar hij zegt niets, neemt de pen van me over, en doet wat ik vraag. In stilte hoop ik dat hij niet zijn echte gegevens opschrijft, maar dat zeg ik natuurlijk niet. Hij neemt plaats. Ik breng hem een biertje van de tap. Mijn bril beslaat; ik draag een mondkapje. Hij kijkt me meewarig aan. «Dit is vast geen makkelijke tijd voor jullie, of wel?» Ik twijfel. Dit is geenszins de eerste keer dat ik deze vraag krijg, en elke keer weer vind ik het lastig hem te beantwoorden. «Nee meneer, dat is het zeker niet,» zeg ik uiteindelijk.

Ik wandel terug naar mijn bar. Ik spoel wat glazen, neem een plank af. Een paar minuten lang sta ik daar met in mijn handen de fles Jack Daniels die ik voor aanvang van mijn dienst uit de voorraadkast gepakt heb. Ik zal niet meer in dienst zijn wanneer hij leeg is. Plotseling maakt die fles me erg verdrietig. Ik zet hem haastig terug.

Het lijkt natuurlijk erg belachelijk om emotioneel te worden over een fles whiskey. Maar iedereen die mij goed kent, weet hoeveel ik hield van de horeca. Het is mij om uiteenlopende redenen nooit gelukt een studie af te maken, en de horeca is de plek waar ik mij realiseerde dat dat misschien toch niet zo erg was als ik had gedacht. Voor het eerst ging ik naar mijn werk zonder er tegenop te zien. Voor het eerst had ik leuk contact met mijn collega’s. Ik kon mijn energie kwijt. Het feit dat ik een avondmens ben was ineens een voordeel, in plaats van een reden voor mensen om te zeggen dat ik «gewoon lui» was. Ik heb de leukste gesprekken gevoerd met volslagen vreemden. Ik heb mensen zien trouwen. Ik ben geknuffeld door oude mensen omdat ze zo gelukkig waren met hun jubileumfeest. Ik heb ontelbare sluitdrankjes gedaan met leuke, lieve mensen met wie ik oneindig veel meer gemeen had dan met de mensen die ik kende op de universiteit. Ik heb meer liefde gezien en ervaren in de horeca dan waar dan ook. Het was een geweldige tijd, maar het is voorbij.

 

In mijn ontslagbrief schreef ik dat ik niet langer de tijd heb om in de bediening te werken. Dat is waar, maar niet de volledige reden waarom ik hier vanavond voor de laatste keer sta. De waarheid is dat ik al ruim een half jaar afscheid aan het nemen ben van de horeca zoals ik die kende. Begin maart, vlak voordat de wereld veranderde, nam ik twee weken vakantie om mijn broertje op Aruba te bezoeken. Ik vertrok zonder me te realiseren dat het de laatste keer was dat het normaal had gevoeld. Na thuiskomst heb ik nog één dienst gewerkt, op 15 maart. Die dienst eindigde na twee uur, toen de horeca abrupt haar deuren moest sluiten. Geshockeerd stond ik buiten met mijn collega’s. We hadden nog geen idee.

Ik was blij toen ik na drie maanden weer mocht werken, maar bij mijn eerste dienst wist ik diep van binnen al dat het niet hetzelfde was. De spontaniteit en de onbevangen sfeer keerden niet terug. Toch heb ik lang doorgewerkt, omdat ik tegen beter weten in hoopte dat het beter zou worden, en omdat ik mijn collega’s, om wie ik veel geef, niet in de steek wilde laten. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die niet begrijpen waarom iemand die zoveel van de horeca houdt, het zou verlaten. Maar dat ik van de horeca houd, is juist de reden waarom ik voelde dat ik niet anders kon dan ontslag nemen.

Ik kan mensen niet verplichten hun handen te ontsmetten met handgel die een paar jaar geleden nog door artsen werd weggezet als ongezond. Ik kan niet tegen hen zeggen dat ze elkaar niet mogen aanraken. Ik kan geen familiefeesten verpesten door de gasten van elkaar te scheiden, en ze te verbieden van hun stoel op te staan. Ik kan geen mondkapje dragen waarvan ik weet dat het niets anders is dan een politiek spel. Ik kan deze dingen niet doen en mezelf recht in de spiegel aankijken. Ik houd van de horeca, en ik kan niet helpen het kapot te maken. Zelfs niet wanneer het bedrijf vrijwillig meewerkt, en dan ook nog met iets dat – onbegrijpelijk – lijkt op enthousiasme.

Ik zie de ontzieling van de horeca als een parallel voor de ontzieling van de samenleving als geheel, en ik kan en wil er niet aan meewerken. Dat betekent niet dat ik geen steen in mijn maag voel wanneer mijn enige gast de deur uit loopt. Ik zet mijn mondkapje af, maar het lucht niet zo op als ik had gehoopt.

Column

Waarom ben je toch zo dwars?

Ik heb een speciale relatie met deze vraag. Hij werd, en wordt, mij vanaf mijn kindertijd al met grote regelmaat gesteld. Waarom kon ik niet gewoon stil op mijn stoel zitten? Waarom kon ik mij niet gewoon ontwikkelen op hetzelfde tempo als andere kinderen? Waarom wilde ik dat eeuwige boek niet wegleggen? Waarom had ik niet gewoon normale interesses? Waarom moest ik mij anders kleden dan mijn leeftijdsgenoten en naar “rare” muziek luisteren? Waarom stelde ik moeilijke vragen? Waarom wilde ik uit alle macht van alles de achterliggende reden kennen? Waarom kon ik niet gewoon een studie afmaken? Waarom heb ik niet gewoon een kantoorbaan?

Anno 2020 is de formulering van de vraag enigszins anders. Waarom kan ik niet gewoon het coronabeleid volgen zonder vragen te stellen? Waarom draag ik niet gewoon een mondkapje? Waarom ga ik naar een verboden demonstratie? Waarom spreek ik wantrouwen uit jegens de staat en de media? Geeft het mij soms een kick om overal tegenaan te schoppen? Waarom kan ik niet gewoon een keer doen wat mij wordt opgedragen?

 

Ironisch genoeg zullen de mensen die mij deze vragen stellen, waarschijnlijk nooit beseffen dat zij zelf de aanstichters zijn van mijn – in hun ogen –  opstandige gedrag. Het is namelijk door dit type vragen dat ik mij al op zeer jonge leeftijd realiseerde dat er in deze maatschappij een “juiste” manier bestaat om te leven, te communiceren, te bestaan, en logischerwijs dus ook een “onjuiste.” Leef, communiceer, of besta je op de “verkeerde” manier, dan zal de meerderheid dit gedrag afstraffen. Pas je je dan nog niet aan, dan loop je het risico nergens bij te horen, een gedachte die veel mensen absoluut niet kunnen verkroppen. Deze vorm van sociale controle heeft op mij nooit bijzonder veel effect gehad, maar het herkennen van dit patroon leidde mij wel tot het stellen van de volgende vraag: wie bepaalt wat de “juiste” manier is?

Mijns inziens luidt het antwoord op deze vraag (op dit moment, maar eigenlijk, stiekem, al eeuwen) als volgt: de staat bepaalt wat de “juiste” manier van leven is. Momenteel betekent dit dat je geacht wordt alle regels omtrent het coronavirus na te leven en vooral geen kritische vragen te stellen. Doe je dit niet, dan word je tot de orde geroepen door de meerderheid; mensen die meestal geen idee hebben wie jij bent, maar je wel met stellige overtuiging vertellen dat jij persoonlijk verantwoordelijk bent voor het leven van hun bejaarde oma. Kritiek op het huidige beleid wordt beantwoord met fysieke en verbale agressie, gecensureerd door “objectieve” factcheckers, en belachelijk gemaakt door middel van opmerkingen over aluminium hoedjes. Er is slechts een juiste mening,  en daarover is geen enkele vorm van discussie mogelijk. Wie de discussie toch aangaat, wordt uitgesloten en de mond gesnoerd.

 

Het was juist mijn gevoel van herkenning bij dit patroon dat ervoor zorgde dat ik de situatie rondom het nieuwe coronavirus begon te wantrouwen. Er bekroop mij een onbehaaglijk gevoel; waarom mocht ik geen vragen stellen? Waarom mocht ik geen kritiek hebben? Waarom behoorde het wensen van duidelijke, objectieve informatie plotseling tot de categorie “onjuist” gedrag?

Veel mensen die er rondom de coronacrisis wel de “juiste” mening op na houden, wijzen mij erop dat de maatregelen in Nederland minder streng zijn dan in sommige andere landen, en dat wij officieel nooit in lockdown zijn geweest. De realiteit is echter dat de staat haar burgers niet hoeft te onderdrukken wanneer de burgers deze taak zelf op zich nemen. Wanneer wij elkaar belerend terechtwijzen, belachelijk maken, en sociaal en/of economisch buitensluiten, nemen wij de staat een taak uit handen die zij eigenlijk helemaal niet hoort uit te voeren. Er is echter een ding waar onvoldoende rekening mee lijkt te zijn gehouden: het feit dat deze vorm van manipulatie niet bij iedereen effectief is.

 

Ik ben namelijk dwars, remember? Waarom ben ik toch zo dwars? Ja, waarom eigenlijk?

Ik ben dwars omdat ik een slechte leugenaar ben, en ik trots ben op die eigenschap.

 

Ik ben dwars omdat ik geloof dat objectieve waarheid bestaat, ondanks het postmoderne relativisme waarvan de gehele samenleving doordrenkt is, en omdat het mijn overtuiging is dat wij recht hebben op die waarheid.

 

Ik ben dwars omdat ik het recht om mijn moeder te knuffelen pas over mijn lijk op zal geven.

Waarom ben j toch zo dwars?

Ik ben dwars omdat ik nu de leeftijd heb waarop mijn beste vrienden gezinnen beginnen te stichten, en ik huiver bij het idee dat zij hun kinderen moeten grootbrengen onder deze omstandigheden.

 

Ik ben dwars omdat ik mij ervan bewust ben wat het resultaat kan zijn wanneer mensen hun grondrechten opgeven.

 

Ik ben dwars omdat ik besef dat de verantwoordelijkheid voor de wereld waarin ik leef, bij mij ligt. Bij mij, bij jou, bij iedereen die ook maar iets om de toekomst geeft. In de loop der jaren lijken mensen te hebben vergeten dat de wereld gemaakt wordt door hen die erin leven, en niet door hen die in de waan verkeren dat zij erboven staan.

 

Nee, het maakt mij niet uit dat het grootste gedeelte van mijn leeftijdsgenoten hun verantwoordelijkheid niet nemen, en denken dat het laatste schroefje bij mij is losgeraakt. Het maakt mij niet uit hoeveel haatberichten ik nog zal ontvangen. Het maakt mij niet uit dat ik de meerderheid tegen mij in het harnas jaag. Ik kan niet gemanipuleerd worden met het dreigement van uitsluiting op welke manier dan ook. Ik ken deze truc al sinds ik zes jaar oud was, en ik ben dwars omdat ik hem al even lang doorzie.

Jade, Team Doe Zelf Normaal.

 

 

Column

Er was eens een klein en dapper landje op het Noordelijk halfrond.

Dat landje hield zich al eeuwen staande, ondanks dat het meters onder de zeespiegel lag. Wind en golven beukten op haar kusten, maar het dappere volkje wist die golven steeds weer met succes te bedwingen.

Het landje was onafhankelijk, en liet zich door niemand de les lezen. Sterker nog, het landje hief zelf herhaaldelijk het vingertje op naar andere landen wereldwijd.

Eeuwen gingen zo voorbij, en het landje ontwikkelde zich zelfs tot een heuse democratie. Het volkje van het landje mocht niet teveel invloed hebben, maar daar werd onder opeenvolgende regeringen keurig voor gezorgd.

In de 20e eeuw stond er even een politiek partijtje op die het volkje meer zeggenschap wilde geven. Maar na enkele tientallen jaren tegen de bierkaai gevochten te hebben gaf dat partijtje de pijp aan Maarten. De oprichter van het partijtje was dood, dus er kraaide geen haan naar.

Het landje was rijk en welvarend. Zieke en werkloze mensen kregen geld, net genoeg om niet dood te gaan van de honger. Want dat stimuleerde mensen om zelf centjes te verdienen, was de gedachte van vooral de liberale politieke partij van het landje.

Een hele tijd ging het steeds beter. De grote bedrijven in het landje werden steeds groter en rijker, en betaalden haast geen belasting. Er was zelfs een grote oliemaatschappij die geld toe kreeg van de belasting! Dat kon de regering van het landje doen door de kleinere bedrijfjes uit te knijpen, en te overspoelen met regeltjes.

Soms protesteerden die bedrijfjes daar tegen, in de krant en op het journaal, maar dat hielp niet. Wat konden ze immers doen? De grote bedrijven waren de baas, want die deelden een deel van hun centjes met mensen van de regering, zodat die precies deden wat zij wilden.

Maar bijna iedereen kon brood kopen, en op vakantie en in een auto rijden, dus het volkje was tevreden.

Op een dag won de partij die vriendjes was met de grote bedrijven de verkiezingen. Na enkele jaren kreeg die partij een nieuwe leider. De voorgaande leiders zagen nooit kans de baas van het land te worden, dus hadden ze een nieuwe leider nodig. De nieuwe leider was een mannetje dat altijd op personeelszaken van een groot bedrijf gewerkt had. Daar had hij geleerd dat je het personeel heel makkelijk aan het lijntje kon houden door ze van alles te beloven, en daarna gewoon te ontkennen dat je het beloofd had. En je kwam er altijd mee weg, als je maar steeds bleef schaterlachen! Zo simpel! En wanneer ze toch boos bleven, dreigde je lachend om hun salaris in te houden, of ze op straat te zetten!

Zou dat ook werken met het volk van dat landje? Laten we het gewoon proberen, zeiden ze tegen elkaar. En ze namen er een goed glas wijn op, want dat was de hobby van die partij: dure wijn drinken en  dikke, dure sigaren roken! Dat kon makkelijk met dat geld van die grote bedrijven. En nu zouden ze nog rijker worden!

De nieuwe leider ging vol goede moed aan de slag. En het ging verbazend goed! Hij lachte zich door alle leugens heen. Van dividendbelasting tot dode burgers in Irak.

Hij keek veel naar Bassie en Adriaan, een leuke serie over een clown en een acrobaat. Hij leerde daar zóveel van! Altijd blijven lachen, zei Bassie de clown steeds, wat er ook gebeurt!

Wanneer hij toch eens betrapt werd op een leugen, vertelde hij schaterlachend aan het volkje dat hij het écht niet zo bedoeld had. En tot zijn eigen stomme verbazing trapten ze er in! Ook de partijtjes die ‘oppositie’ genoemd werden, trapten erin. Soms werden ze een beetje boos, en riepen ze tegen hem: doe eens normaal! Wanneer hij dan schaterlachend ‘doe zelf normaal’ terugriep, was alles weer goed! Geniaal die clown Bassie!

Op een dag kwam er een heel eng bericht binnen. Er was een beestje, een virus noemden ze dat, illegaal uit een oosters land de grens overgestoken. Als je dat beestje inademde ging je hoesten, net als van een dikke sigaar. Je kreeg dan ook een snottebel, en je ging niezen, net alsof je aan contant geld rook; daar had  hij ook zo’n hekel aan.

Maar al snel stelden  de wereldbazen die dikke sigaren en dure wijn kochten met geld dat ze kregen van medicijnbedrijven hem gerust: het beestje, daar ging je alleen dood aan als je oud en ziek was. Kwam dat even goed uit! Die oude en zieke mensen wilde hij al lang vanaf! Die wilden geld van de regering zonder dat ze er iets voor deden!

Het was hem gelukkig wel gelukt om ze tot op steeds hogere leeftijd zelf hun schamele loontje bij elkaar te laten schrapen, maar ze kostten hem nog steeds heel wat dure wijn en dikke sigaren elk jaar!

Maar gelukkig was dat beestje voor hem niet zo gevaarlijk, dus over tot de orde van de dag.

Nee joh, zeiden de gezondheids-wereld-bazen. Dit is een kans! Het volkje is zich kapot geschrokken! Ze zijn bang! Wanneer je zorgt dat ze bang blijven, net als dat personeel van dat bedrijf waar je eerst werkte, doen ze precies wat je zegt.

Zou dat werken, vroeg hij zich af?

Schaterlachend ging hij aan de slag. Hij vertelde spookverhalen over het beestje, dat je allemaal binnen moest blijven, en bij niemand in de buurt mocht komen, want dan zou het beestje overspringen. Geweldig! Het volkje sprong op straat van angst voor elkaar opzij!

En alle cafés en restaurants moesten dicht, want daar sprong het beestje van je bierglas op je bord en zo naar de andere tafels om je heen! Afschuwelijk! Het voordeel was dat die bedrijfjes één voor één failliet gingen! Want wat moet je met die minibedrijfjes wanneer je grote bedrijven hebt die wijn en sigaren voor je kopen?

En het goedgelovige volkje geloofde het! Sterker nog, ze wilden nog strengere regels! Nou, die konden ze krijgen. Hij verbood ze gewoon hun opa’s en oma’s nog te bezoeken in die huizen waar oude mensen in dat landje werden opgeborgen. Geniaal! Nu gingen ze nog sneller dood! De dure wijn stroomde rijkelijk en de dikke sigaren hadden nog nooit zo lekker gerookt!

Maar na een paar maanden ging het volkje zich slechter aan de regels houden. Ze kwamen te dicht bij elkaar. En van zijn oude mamma waar hij zo gek op was had hij geleerd dat er kindjes komen van te dicht bij elkaar zijn. En de grote gezondheidsbazen van de wereld wilden dat niet! Er moesten véél minder mensen zijn! Die mensen kosten alleen maar geld, dus weg ermee!

Daarom had hij geen broertjes en zusjes. Mamma was één keer te dicht bij een man gekomen, daarom was hij er nu. Volgens mamma kwam hij lachend ter wereld!

Om te zorgen dat het volkje zich beter aan de regels zou houden, beloofde hij het volkje dat ze weer naar het café mochten wanneer ze nog éven volhielden. Dat deed mamma ook altijd, dingen beloven. Meestal kwam ze haar beloften niet na, dat had hij van haar geleerd, maar heel soms wel.

En na een aantal maanden was het zover. Jullie mogen weer naar het café, zei hij. Maar niet op een barkruk. Aan tafel. En niet te dicht bij elkaar, want dan springt het beestje over. En het volkje juichte!

Maar na een maand was het volkje weer ontevreden, want de gezondheidsbazen zeiden dat weer steeds meer mensen het beestje hadden ingeademd. Maar ze merkten er niets van. Ze hadden geen snottebel, ze hoestten niet en niesten niet. Maar het beestje was er wel zeiden de bazen.

De kranten, die al jaren steeds minder abonnees hadden, werden steeds beter gelezen wanneer ze de verhalen nog enger maakten. En zo werd het volkje steeds banger.

En de leider kreeg steeds meer fans! Het volkje was gek op hem. Ook de kranten, die hem een half jaar eerder, voor het beestje kwam, nog een leugenaar noemden, vonden hem een geweldige leider!

Maar hoe kreeg je het volkje nu weer tevreden, en nóg banger? Heel simpel, zeiden de gezondheidsbazen. Vertel ze dat iedereen die een snottebel heeft, of niest, een test moet ondergaan. Ook als je in de buurt van een hoester of niezer bent geweest, moet je getest worden. Een test die vertelt of ze het beestje hebben ingeademd.

Maar haast niemand heeft het beestje toch, vroeg de leider? Nee joh, maar we vertellen ze gewoon dat ze het hebben. Dat controleert toch niemand! En iedereen die zegt dat je liegt, noem je een complotdenker.

En als ze nou willen demonstreren, vroeg de leider? Hij had dat wel eens in verre landen op de TV gezien. Brrrr! Eng hoor! Dan stuur je de politie erop af, en noem je ze doorgesnoven hooligans, zeiden de bazen.

En je belooft ze dat er een injectiespuitje gemaakt wordt met een goedje erin dat ervoor zorgt dat het beestje voor altijd dood blijft en nooit meer terugkomt. We stoppen stiekem van alles in dat spuitje, zodat er steeds minder oude mensen bij komen. Dan kunnen wij nóg duurdere wijn drinken en nog dikkere sigaren roken.

En zo geschiedde.

En tot op de dag van vandaag gelooft het volkje al de leugens van de leider.

En ze leefden nog lang en…. Of toch niet?

Het volkje begint langzaam moe te worden van al dat geschaterlach. Steeds meer mensen zijn bang dat het nooit meer normaal wordt, zoals voorheen. Ze schrijven dat op internet, waar het vaak snel weer wordt weggehaald in opdracht van de gezondheidsbazen.

En de leider ziet dat, en lacht steeds minder. Soms verlangt hij terug naar de tijd dat hij het personeel nog aan het pesten was. Maar de gezondheidsbazen zeggen dat er geen weg terug is. Dat hij door moet gaan.

En stiekem vindt hij het eigenlijk best leuk: éénrichtingsverkeer in winkelstraten, mondkapjes in vliegtuigen, overal stickers dat je niet dicht bij elkaar mag zijn.

En dan dat domme volkje.  Laatst had hij wat leuks verzonnen. Je mag wel dicht bij elkaar in de auto naar het restaurant rijden, maar in het restaurant moet je weer ver van elkaar af zitten.

En je mag wél naar een prostituee, maar je mag je vriendje of vriendinnetje met wie al jaren naar bed gaat maar met wie je niet samenwoont, niet meer kussen, laat staan bij elkaar slapen!

Hij zei het gewoon, voor de TV, en iedereen vond het prima.

Iedereen? Nee. Niet iedereen. Steeds meer mensen van het volkje geloofden de lachende leider niet meer. Iedere dag kwamen er meer van die mensen bij.

 

Kom jij er ook bij? Dan zal het lachen de leider al snel vergaan.

 

Pedro, Team Doe Zelf Normaal.