De geschiedenis van de farmaceutische industrie

Inleiding

“Op twee dingen moet men zich bij ziektes toeleggen: baat te brengen of dan tenminste niet te schaden.”
~ Hippocrates, Grieks arts (460 v. Chr. – 370 v. Chr.)

De situatie die wereldwijd is ontstaan (gecreëerd) met betrekking tot het nieuwe coronavirus, leidt tot veel vragen en afwegingen. In vrijwel alle landen ter wereld laat de economie een historische krimp zien. Bedrijven vallen om, mensen verliezen hun baan en inkomen, en banken raken wereldwijd in de problemen. Het sociale leven wordt ernstig aan banden gelegd, en voor een overweldigende meerderheid geldt dat het dagelijks leven door de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus aanzienlijk wordt beïnvloed en veranderd. Tegelijkertijd wordt er door een toenemend aantal mensen getwijfeld aan de rechtvaardiging en onderbouwing van deze maatregelen door overheden. In veel landen is sprake van toenemende spanningen onder de bevolking tussen voor- en tegenstanders van het heersende beleid. Wie de suggestie wekt open te staan voor het idee dat deze situatie met opzet is veroorzaakt of wordt misbruikt voor andere belangen dan die van de bevolking, wordt onvermijdelijk geconfronteerd met de vraag waarom? Wie profiteert er van de sociale en economische chaos die de wereld al ruim een half jaar in zijn greep houdt? Welke belangen zouden daarmee gediend worden? Cui bono?

Dit is een simpele en terechte vraag. Het is immers logischerwijs voor veel mensen lastig te begrijpen waarom overheden zouden handelen op manieren die de levensstandaard schaden. Ook lijkt het voor velen contra-intuïtief om te geloven dat een volledig vertrouwen in de medische wetenschap wellicht misplaatst is. Zij bestaat immers om ziekten te genezen en mensen te helpen gezond te blijven. Waarom zou men de cijfers en adviezen van officiële medische instanties in twijfel moeten trekken? Welke motivatie hebben zij om mee te werken aan het in stand houden van een beleid dat de levensstandaard en de volksgezondheid schaadt?

De antwoorden op deze vraag zijn veelvuldig en gecompliceerd. Team Doe Zelf Normaal heeft het vermoeden dat het in eerdere artikelen genoemde patroon van corruptie en beïnvloeding van overheden door vermogende individuen en grote bedrijven ook doorwerkt in de medische en farmaceutische wereld, en dat deze industrie wordt ingezet voor het onderbouwen en verantwoorden van een beleid dat de maatschappij wereldwijd onherstelbare schade toebrengt. Om deze hypothese te testen, zijn wij een uitgebreid literatuuronderzoek begonnen naar het functioneren van de medische en farmaceutische industrieën, en de belangen die door deze industrieën (veelal buiten het zicht van de burger) gediend worden.

De resultaten van dit (nog lopende) onderzoek zijn veelvuldig en gecompliceerd. Daarom zullen wij ze in delen publiceren.

Deel 1.1

“Competition is a sin.”
~ John Davison Rockefeller (1839 – 1937)

Om te begrijpen hoe de medische en farmaceutische industrieën vandaag de dag functioneren, is enige kennis van hun ontstaansgeschiedenis vereist. Hiervoor nemen wij de lezer mee terug naar de Verenigde Staten van het eind van de negentiende en begin van de twintigste eeuw. Dit omdat de ontwikkelingen in de Verenigde Staten in deze tijd doorslaggevend waren voor het functioneren van de medische wetenschap wereldwijd.

Als gevolg van de Industriële Revolutie was de Amerikaanse maatschappij in de negentiende eeuw aan grote veranderingen onderhevig. Industrialisatie leidde ertoe dat grote corporaties het economische landschap begonnen te domineren. De eigenaren van deze corporaties liepen echter tegen meerdere problemen aan. De maatschappij was namelijk (nog) niet ingericht op deze nieuwe manier van productie, maar draaide grotendeels om landbouw en handel. Ook leidde de groeiende rol van industrie tot onvrede onder het deel van de bevolking dat zich door deze ontwikkeling benadeeld voelde. Een groot aantal mensen werd gedwongen hun huizen te verlaten om plaats te maken voor industrie, of werd op de arbeidsmarkt vervangen door machines. Het toenemende belang van fabrieken leidde tot urbanisatie: waar het leven zich vóór de Industriële Revolutie voornamelijk afspeelde in dorpen en de meeste macht en geld in handen waren van boeren en handelaars, concentreerden deze zich nu in steeds groter wordende steden. Ambachtslieden en ontheemde boeren legden zich met tegenzin neer bij het nieuwe systeem waarin fabrieken de hoofdrol speelden (Brown 56).

De Amerikaanse Burgeroorlog, een conflict dat duurde van 1861 tot 1865, was op meerdere manieren een doorslaggevend punt in de geschiedenis. Het was onder andere de eerste oorlog waarbij de spoorwegen van essentieel belang waren. Waar de spoorwegen vóór het uitbreken van de Burgeroorlog nog een relatief nieuwe uitvinding waren, werden ze tijdens de oorlog essentieel voor het vervoeren van soldaten, materie, en voedsel (http://www.civilwar.com/history/weapons-44543/railroads-79476.html). Ondanks onderbrekingen als gevolg van de oorlog werd in de jaren 1860 en 1870 bijna 100,000 kilometer aan nieuwe spoorwegen aangelegd, en werden de spoorwegen een symbool voor industrialisatie. Op deze manier leidde de oorlog tot het ontstaan van een nieuw industrieel systeem dat voor een relatief klein aantal mensen bijzonder lucratief bleek. Deze mensen vergaarden hun fortuin gedurende en/of als gevolg van de Burgeroorlog en speelden een essentiële rol in het politieke en economische landschap dat ontstond in de decennia die erop volgden.

John Davison Rockefeller (1839 – 1937) en de Standard Oil Company

John Davison Rockefeller werd in 1839 geboren als zoon van William A. Rockefeller, een olieondernemer en zwendelaar die zich zonder enige vorm van medische scholing voor arts uitgaf en zijn zonen bijbracht dat zij niemand dienden te vertrouwen (Van der Horst 46). John vergaarde zijn startkapitaal tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog met de verkoop van illegale drank aan soldaten en legde zo de grondslag voor het monopolie dat hij later zou vergaren (Mullins 188). Hij gebruikte dit startkapitaal in 1862 voor de aankoop van een aandeel in een olieraffinaderij, en begon in 1870 de Standard Oil Company met een drietal partners en zijn broer William. Rockefeller ontwikkelde een manier van handel drijven die hem veel kritiek, maar ook veel welvaart opleverde. Door het strategisch sluiten van bijzonder lucratieve deals met de spoorwegmaatschappijen en een genadeloze manier van zaken doen veroverde hij een machtige positie op de handelsmarkt en slaagde hij erin om tussen 17 februari en 28 maart 1872 maar liefst 22 van de 26 concurrerende olieraffinaderijen op te kopen (Chernow 113). Zo verkocht hij bijvoorbeeld olie onder de kostprijs, met als doel zijn concurrenten kapot te maken en zelf op te kopen.

Deze stiekeme manier van handelen leidde ertoe dat Rockefeller in 1879 werd aangeklaagd voor het opzettelijk creëren van een monopolie en het smoren van concurrentie. Desondanks werd hij pas in 1911 schuldig bevonden aan illegale monopoliepraktijken en gedwongen zijn bedrijf Standard Oil te ontbinden in 34 afzonderlijke bedrijven. Hierdoor liet Rockefeller zich echter niet weerhouden; hij wist de wetten die zijn handelswijze in de weg stonden te omzeilen door middel van een trust, die aandelen bezat in ieder van deze 34 ondernemingen. Hierdoor leek het eveneens alsof alle bedrijven onafhankelijk van elkaar opereerden, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was. Op deze manier kon hij effectief zijn monopolie behouden (Van der Horst 47).

Standard Oil ontwikkelde zich tot chemisch producent en vervaardigde een groot aantal nevenproducten, zoals bijvoorbeeld teer en asfalt. Rockefeller was, zoals eerder beschreven, een bijzonder gehaaid zakenman en was altijd op zoek naar nieuwe manieren om geld te verdienen en zijn invloed uit te breiden. Dit is de oorsprong van zijn interesse in de farmaceutische industrie. Olie is namelijk een essentiële grondstof in de productie van veel medicijnen. Rockefeller zag in de farmaceutische industrie een geschikte afzetmarkt voor de olie die hij produceerde, en besloot in te spelen op ontwikkelingen in de geneeskunde zoals die op dat moment bestond.

In de Verenigde Staten van de negentiende eeuw kende men drie grote geneeskundige stromingen:

  1. De allopathische geneeskunde, waarbij middelen worden gebruikt om symptomen te bestrijden;
  2. De homeopathische geneeskunde, waarbij minuscule doses van een middel dat een gezond persoon ziek zou maken, worden toegediend om een ziek persoon te genezen;
  3. De eclectische geneeskunde, waarbij botanische geneesmiddelen worden gebruikt zoals door onder meer de indianenstammen van Noord-Amerika.

Het dient te worden benadrukt dat deze stromingen naast elkaar bestonden. Tegenwoordig worden homeopathie en eclecticisme gezien als alternatieve geneeskunde, en veelvuldig aangemerkt als pseudowetenschap. Dit was in de tijd van John Rockefeller (nog) niet het geval. Sterker nog; zowel het aanzien als het inkomen van de allopathische arts lieten nogal eens te wensen over. Patiënten wendden zich in toenemende mate tot niet-allopathische artsen. Dit was een doorn in het oog van de American Medical Association (AMA), de branchevereniging voor allopathische artsen. Een van de manieren die men voor ogen had om het aanzien en inkomen van de allopathische arts te verbeteren, was om de toelatingseisen en de standaard van medische opleidingen te verhogen. Rockefeller zag dit als de perfecte gelegenheid om een nieuwe afzetmarkt voor zijn producten te verwerven. Een van de manieren waarop hij dit deed was door middel van het Flexnerrapport, waarover in deel 1.2 meer.

Bronnen

Brown, E. Richard. Rockefeller Medicine Men: Medicine and Capitalism in America. The Regents of the University of California, 1979.

Chernow, Ron. Titan: The Life of John D. Rockefeller. Vintage Books, 1998.

Van der Horst, C.F. Dodelijke Leugens: Artsen en Patiënten Misleid. Per Viratum Vis, 2013.

Deel 1.2

In deel 1.1 hebben we beschreven hoe, als gevolg van de Industriële Revolutie, de macht in de Verenigde Staten van de negentiende eeuw steeds meer verschoof in de richting van grote corporaties. Deze corporaties – of in werkelijkheid, de personen achter deze corporaties – begonnen in deze periode met het uitbreiden van hun invloed naar meer en meer aspecten van de maatschappij en het dagelijks leven. De gevolgen van hun acties zijn vandaag de dag nog altijd van grote invloed.

Foundations en strategische filantropie
E. Richard Brown zegt in zijn boek Rockefeller, Medicine Men dat de eigenlijke winnaar van de Amerikaanse Burgerloog de personen achter de nieuwe grote corporaties waren (Brown 63). Met name mannen zoals John Davison Rockefeller, besproken in deel 1.1, en Andrew Carnegie, die zijn fortuin vergaarde met de productie van staal, wonnen richting het einde van de negentiende eeuw aanzienlijk aan invloed. De groeiende ontevredenheid die onder de Amerikaanse bevolking ontstond als gevolg van de industrialisatie van de samenleving werkte geenszins in hun voordeel. De nieuwe ondernemers probeerden zo snel mogelijk een zo groot mogelijk deel van de beschikbare markt te veroveren. Om de prijzen van hun producten laag te houden, betaalden zij lage arbeidslonen en investeerden zij niet in redelijke arbeidsomstandigheden. Grote aantallen immigranten werden deel van de beroepsbevolking. Ambachtslieden zagen het nut van hun werk afnemen naarmate zij steeds meer vervangen werden door machines en fabrieken. Steeds vaker waren vrouwen en kinderen gedwongen te werken in fabrieken en winkels, en arbeiders werden door het hele land onderbetaald en uitgebuit. In 1897 bedroeg het arbeidsloon voor een werkdag van tien uur $1.50. Het contrast tussen de Zuidelijke staten, waar landbouw nog altijd de belangrijkste bron van inkomsten vormde, en de Noordelijke staten, waar de industrialisatie geconcentreerd was, werd steeds groter.

Al deze zaken leidden tot grote onrust onder de bevolking. Arbeiders begonnen zich te verenigen in vakbonden en rellen en stakingen kwamen steeds vaker voor. De Populist Party, de toenmalige Amerikaanse Volkspartij, won steeds meer aan invloed door zich te verzetten tegen de invloed van het explosief groeiende kapitalisme. In 1896 vormde deze partij een kortstondige coalitie met de Democratische Partij door de Democratische presidentskandidaat Jennings Bryan te steunen tegenover de Republikein William McKinley, de favoriet van de grote corporaties. Nadat Bryan de verkiezing verloor, viel de Populist Party uit elkaar, maar het verzet tegen het groeiende kapitalisme hield tot ver na de eeuwwisseling aan (Brown 66). Dit was uiteraard een doorn in het oog van de nieuwe kapitalisten, die als reactie op dit verzet besloten te zoeken naar manieren waarop zij niet alleen de publieke opinie, maar ook de overheid konden beïnvloeden. Volgens zakenman en Republikeins politicus Mark Hanna (1837 – 1904) konden de President en de uitvoerende tak van de overheid gemakkelijk worden beïnvloed “om onze zakelijke belangen te beschermen.” De verkiezing van William McKinley (overigens een persoonlijke vriend van Mark Hanna, die ook zijn verkiezingscampagnes had geleid) was hun eerste overwinning met betrekking tot dit doel. Na de eeuwwisseling vergrootten de nieuwe kapitalisten hun invloed in de samenleving voornamelijk door middel van wat E. Richard Brown strategische filantropie noemt: in simpele bewoordingen, het doneren van geld aan hen die bereid zijn te handelen zoals jij wilt. Hiervoor werden rond de eeuwwisseling diverse Foundations (stichtingen) in het leven geroepen. De bekendste hiervan zijn de Rockefeller, Carnegie en Ford Foundations (Van der Horst 58). De invloed die deze Foundations vrijwel meteen wisten te vergaren, mag niet worden onderschat. In een rapport van de Commission of Industrial Relations, een commissie die door President William Howard Taft in het leven was geroepen om de invloed van de Foundations te onderzoeken, is bijvoorbeeld terug te vinden dat de Carnegie en Rockefeller Foundations op het gebied van onderwijs financieel 40 keer meer in te brengen hadden dan de federale overheid (https://archive.org/details/industrialrelati01unitrich). Door de onafhankelijke en ongecontroleerde financiële macht van deze Foundations (zij zijn bijvoorbeeld vrijgesteld van belastingen) zijn zij vaak in staat om een doorslaggevende invloed uit te oefenen op publieke zaken. Bovendien eisen de meeste grote Foundations in ruil voor hun donaties dat zij inspraak krijgen de ontvangende organisaties. In de praktijk wordt vaak alles, van het budget tot het personeel, bepaald door de Foundations (Wormser 60). Door middel van strategische filantropie wisten deze zij aan het begin van de twintigste eeuw ook de medische gemeenschap vrijwel volledig naar hun hand te zetten. Een belangrijk keerpunt in dit proces was het Flexner rapport van 1910.

Het Flexner rapport 
Zoals vermeld in deel 1.1 was de geneeskunde in de negentiende eeuw niet, zoals vandaag de dag, overwegend allopathisch (farmaceutisch) van aard. Geneeskundige stromingen die tegenwoordig onder de alternatieve geneeskunde worden geschaard, zoals homeopathie en kruidengeneeskunde, genoten toen nog genoeg aanzien om een doorn in het oog te zijn van de branchevereniging voor allopathische artsen, de American Medical Association (AMA). Om het aanzien en de invloed van de allopathische arts te vergroten, besloot de AMA dat de toelatingseisen en de standaard van medische onderwijsinstellingen verhoogd dienden te worden, en wel op zo’n manier dat andere vormen van geneeskunde als inferieur zouden worden gezien (Van der Horst 49). Homeopaten dienden geweerd te worden, en door het verhogen van de toelatingseisen van medische opleidingen diende de instroom van nieuwe artsen (en dus de concurrentie) beperkt te worden (https://www.lewrockwell.com/1970/01/lew-rockwell/medical-control-medical-corruption/). Zoals benoemd in deel 1.1 paste dit doel perfect bij de belangen van John Davison Rockefeller, die in de farmaceutische industrie een perfecte afzetmarkt zag voor de olie die hij produceerde. In 1902 riep hij met een donatie van een miljoen USD de General Education Board (GEB) in het leven; de voorloper van de Rockefeller Foundation. De GEB was een filantropische non-governmental organization (NGO) die grote invloed uitoefende op het medisch onderwijs in de Verenigde Staten. In een brief aan John Davison Rockefeller van 23 januari 1907 schrijft diens rechterhand, Frederick Taylor Gates, dat de GEB “alle macht geeft die we wensen.” (https://rockfound.rockarch.org/documents/20181/35639/Letter+from+Frederick+T.+Gates+to+John+D.+Rockefeller%2C+Jr.%2C+1907+January+23.pdf/e7f4d67e-f75e-418d-b6a5-e7aea212608b)

In 1908 sloot de American Medical Association (AMA) een overeenkomst met Henry S. Pritchett, de voorzitter van de Carnegie Foundation. De Carnegie Foundation had kort daarvoor preliminaire vereisten opgesteld waaraan medische opleidingen zouden moeten voldoen, en de AMA wenste een studie en bijbehorend rapport om deze vereisten te onderbouwen. Voor het uitvoeren van deze studie deed Pritchett een beroep op Abraham Flexner, een docent die aanvankelijk dacht dat Pritchett hem had verward met zijn broer Simon, een arts die bij Rockefeller op de loonlijst stond (Brown 358). Flexner zou alle medische onderwijsinstituten (167 in totaal) bezoeken en evalueren, en uiteindelijk concluderen welke van hen voldeden aan de nieuwe standaarden van het AMA. Uit de notulen van de Council on Medical Education (CME), een onderdeel van de AMA, van 28 december 1908 blijkt dat zij de Carnegie Foundation verzocht hadden om de invloed van de Council en hun voorbereidende onderzoek niet in het rapport te vermelden. Dit was zogezegd om te voorkomen dat het rapport van partijdigheid beticht kon worden (Van der Horst 53).

In 1910 publiceerde Flexner het resultaat van zijn onderzoek, het rapport Medical Education in the United States and Canada. Omdat de invloed van de AMA verborgen werd gehouden, en het er dus alle schijn van had dat dit rapport van een onafhankelijk instituut afkomstig was, had het Flexnerrapport precies het gewenste effect. Waar voor de publicatie van het rapport minstens evenveel artsen in de homeopathie en andere geneeskundige stromingen praktiseerden als in de allopathische (farmaceutische) geneeskunde, was dit na het rapport geenszins meer het geval. Op advies van Flexner werd de medische opleiding van de John Hopkins universiteit tot algemene maatstaf gemaakt. Privéscholen die niet afhankelijk waren van externe donaties – zoals die van de Foundations – dienden op te houden te bestaan, zodat het curriculum van elke bestaande medische opleiding onderhevig was aan de invloed van haar donateurs. De lengte van een medische opleiding moest vier jaar zijn en het curriculum moest voldoen aan de standaarden die de AMA in 1905 had opgesteld. Scholen werden door de State Medical Boards (de medische raad die in elke Staat licenties aan artsen verstrekt) gedwongen om aan de eisen van het Flexnerrapport te voldoen. Bij weigering verloren zij hun accreditatie en werden zij gedwongen hun deuren te sluiten. In 1924 was het aantal medische opleidingen in de Verenigde Staten, volledig naar wens van de AMA, met 50% gedaald (Van der Horst 55-56).

Het leek destijds alsof er geen connectie bestond tussen het Flexnerrapport en Rockefeller. Echter werd Flexner tijdens zijn onderzoek ruimschoots beïnvloed door het advies zijn broer Simon en dr. William Welch van de John Hopkins universiteit, die allebei bij Rockefeller op de loonlijst stonden. Welch was eveneens de eerste president van de Board of Directors van het Rockefeller Institute for Medical Research. Bovendien werd Flexner in 1912 werkzaam bij Rockefellers General Education Board, die tussen 1913 en 1929 94 miljoen USD verdeelde onder 25 medische opleidingen (Van der Horst 54).

De GEB en andere Foundations doneerden vanzelfsprekend alleen aan medische opleidingen die voldeden aan de voorwaarden van het Flexnerrapport. De donaties waren bestemd voor onderzoek en klinische studies, die uiteraard vrijwel allemaal farmaceutisch van aard waren. Andere geneeskundige stromingen kregen immers geen geld voor wetenschappelijk onderzoek, en werden daardoor steeds meer weggezet als “onwetenschappelijk.” (Van der Horst 56) Dit is de essentie van het eerder genoemde begrip strategische filantropie: het door middel van donaties beïnvloeden van de wetenschap, de politiek en de publieke opinie.

De Carnegie en Rockefellers Foundations zorgden er in de decennia na de publicatie van het Flexnerrapport door middel van lobbywerk en strategische donaties voor dat Flexners bevindingen niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in Europa de standaarden voor medische opleidingen bepaalden. De World Health Organization adopteerde het rapport in 1997 wereldwijd (Van der Horst 62-63). Voor de duidelijkheid: de resultaten van een door het bedrijfsleven gefinancierd en uitgevoerd onderzoek bepalen tot op de dag van vandaag de standaarden en het curriculum van medische onderwijsinstellingen over de hele wereld.         

Bronnen
Brown, E. Richard. Rockefeller Medicine Men: Medicine and Capitalism in America. The Regents of the University of California, 1979.

Van der Horst, C.F. Dodelijke Leugens: Artsen en Patiënten Misleid. Per Viratum Vis, 2013.

Wormser, René A. Foundations: Their Power and Influence. The Devin Adair Company, 1958.